| Home Just In Communities Forums Beta Readers Dictionary Search | Login Register Extras |
Het water stroomde sneller dan hij verwacht had - zelfs vanaf die grote afstand. Rond deze tijd - januari - zou het ook wel ijskoud zijn.
Even overwoog hij zijn schoenen uit te doen, maar hij liet het na. Het zou er zo maf uitzien: twee schoenen op de brug, zonder eigenaar. Zou wel een leuke foto worden voor in de krant, trouwens. Hij kon er niet om lachen.
Even dwaalden zijn gedachten af. Zijn hele serviesgoed was er met zijn leven ten onder gegaan. Ze was kwaad weggelopen, na nog even het laatste antieke bord tegen de muur te hebben gesmeten.
Isolde was haar naam en het idee dat het nog ooit wat zou worden had hij al snel laten varen. Hij heette immers geen Tristan en hij zou het ook nooit worden. Uren lang had hij nagedacht over het hoe en waarom het stuk gelopen was. Hij kon haar niet de schuld geven; daar was ze veel te perfect voor. En dus, zo was hij na uren piekeren in de donkere, ijskoude kamer van zijn armoedige appartement tot de conclusie gekomen, moest hij de schuld bij zichzelf leggen. Hij was egoïstisch geweest, en hij had haar meer aandacht moeten geven. Misschien had hij ook wat vaker een cadeautje voor haar mee moeten brengen, of een bos bloemen. Wist hij veel.
Hij klom op de rand en staarde naar de inktzwarte diepte onder hem. Licht weerkaatste op het zacht golvende water en hij keek even omhoog.
De lucht was al net zo zwart als het water en ook in de lucht zaten fonkelende sterren. Hij hield van zwart. Zwart, zoals de kleur van Isolde's haar. En de sterren erin leken te fonkelen als haar ogen, vooral wanneer ze kwaad was.
Dat laatste wilde hij zich liever niet meer herinneren. Isolde werd snel kwaad, maar was toch altijd bij hem gebleven. Stom van haar, besefte hij nu. Ze was veel te goed voor zo'n sukkel als hij, ze kon beter krijgen.
Hij balde zijn vuisten. Hij wilde haar terug en het liefst nu meteen. Maar er was geen hoop meer. Ze was weg - met haar fonkelende ogen en wapperende zwarte haren had ze haar kleren in een koffer gesmeten, en was met de snelheid van het licht vertrokken.
Eén ding was ze echter vergeten. Dat wist ze niet en hij glimlachte treurig bij de gedachte eraan. Met grote eerbied trok hij het zakdoekje uit zijn broekzak. Stralend wit en keurig gestreken. Dat leek niet op haar - ze was wild en oncontroleerbaar. Je kon haar niet zomaar oppakken en gladstrijken. En ze hield al helemaal niet van wit - maar bij gebrek aan beter moest hij het hier toch mee doen.
Met een flauwe glimlach keek hij even naar het doekje en hij klemde het steviger in zijn vuist. Opnieuw keek hij naar het water en hij dacht aan het artikel dat hij ooit in de krant had gelezen. 'Spring niet in de buurt van pilaren.' Hij liep naar een pilaar.
'Houdt uw benen tegen elkaar aan.'
Hij spreidde zijn benen.
'.En spring alleen in noodgevallen.'
Hij keek even naar het zakdoekje. O ja, dit was zeker een noodgeval.
Hij gunde het water een laatste blik, en dacht nogmaals aan Isolde.
Hij sprong.