| Home Just In Communities Forums Beta Readers Dictionary Search | Login Register Extras |
Karakterfout
I
Ik arriveerde in een wolk van stof en schitteringen.
Dit zou er normaal vrij indrukwekkend hebben uitgezien voor eenieder die het aanschouwd zou hebben, maar ik denk dat de manier waarop ik mijn motor tegen het hek kwakte en de stroom van vloeken die ermee gepaard ging een beetje afdeden aan het hele beeld.
En ik had reden tot vloeken: het stof zat werkelijk overal. Het kriebelde in mijn haar, zat in mijn neus, mijn keel, en het zorgde voor een tranenstroom over mijn gezicht die maar niet op leek te houden. Stom ook; in mijn impulsiviteit was ik vergeten wat voor een slecht idee het is om op een motor door Parsia te reizen. Parsia is gewoon te stoffig voor zulk soort acties.
Zuchtend draaide ik me naar het landhuis aan de andere kant van het hek. Het huis van mijn familie stond er stil en verlaten bij in het roodgouden licht van de vroege winter.
/Wedden dat ze niet eens thuis zijn?/ dacht ik. /Zoveel haast, zo’n lange reis, en als ik arriveer zijn ze niet eens hier. Nouja, dat bewijst maar weer hoe gek ik mezelf heb lopen maken met mijn ongerustheid. Het gaat echt wel goed met hem./
Ik haalde een hand door mijn stoffige en verwaaide donkere haar en probeerde halfhartig mijn gezicht te schonen van de fijne laag stof, maar het was waarschijnlijk toch een verloren zaak; ik zag er gewoon niet uit. Ik moest me er maar bij neerleggen dat ik mijn familie voor de eerste keer in vier jaar zou weerzien terwijl ik er groezelig uitzag, er was toch niets aan te doen. Lang leve mijn impulsiviteit.
Ik liep de oprijlaan op en probeerde iets te zien achter de ramen, maar het was binnen donkerder dan hier buiten in het rossige zonlicht, dus ik kon niet zien of er iets bewoog binnen. Het huis voelde in ieder geval stil aan; alsof er niemand thuis was. Ik drukte op de koperen deurbel en leunde tegen de mergelgele muur terwijl ik wachtte op reactie.
Die reactie kwam er zeker, net zo intens als ik verwacht had. Ik zag het donkere hoofd van mijn zus slechts een kort moment afgetekend tegen het licht van binnen voordat ze de deur weer dichtsloeg in mijn gezicht. Ik nam een stap terug om niet mijn neus te laten verpletteren door het donkere glanzende hout van de deur en struikelde prompt van de portiek af omdat ik het opstapje vergeten was. Het was op die manier dat mijn zus me aanschouwde toen ze de deur opnieuw opende: zittend in het stof op het pad naar haar deur. “Hoi,” zei ik dus maar.
Mirella was niet onder de indruk. “Wat moet jij hier?”
Ik krabbelde overeind en sloeg het stof van mijn leren motorbroek. “Ik zag het nieuws,” legde ik uit. “Ik dacht dat je misschien hulp nodig zou hebben met Seamon.”
“Jij bent wel de laatste die ik om hulp zou vragen,” snoof mijn zus. Ze maakte alweer aanstalten om de deur in mijn gezicht te sluiten, maar ik was vlug genoeg om mijn voet tussen de deur te steken. De deur sloeg zwaar tegen de zijkant van mijn voet. Ik vertrok van de pijn voor een moment voordat Mirella de deur weer opende en ik reageerde: “Dat weet ik. Daarom ben ik ook uit mezelf gekomen.”
Het was toen pas dat iets van de spanning uit Mirella’s gezicht verdween. Haar donkere ogen verzachtten zich en ze zuchtte diep. “Je kent ons te goed. Kom binnen,” zei ze, nu de deur volledig openend. “Je kan wel kop thee en een bad gebruiken. Je ziet eruit als een spook. Wat heb je gedaan?”
“Ik ben op de motor gekomen. De poort had een wachtrij van zes en een half uur, dus ik dacht dat ik wel kon rijden.”
Mirella lachte haar korte lachje. “Da’s typisch jij. Denk je ooit wel eens na?”
Mijn zus en ik hebben nooit een goede relatie gehad. Als kinderen hadden we altijd ruzie, als tieners zaten we elkaar altijd in de haren, en toen onze ouders stierven werd het alleen maar slechter tot het punt dat ik een baan aannam in Mentorn zodat ik een half land afstand had van mijn zus en mijn broertje. Mirella had er nooit een geheim van gemaakt dat ze blij was dat ik weggegaan was, maar tegelijkertijd nam ze het me wel kwalijk dat ik haar ‘achtergelaten’ had met ons kleine broertje en dus zijn opvoeding maar aan haar overliet. Zo was ze nou eenmaal, mijn zus.
Na een snelle douche ging ik bij Mirella in de woonkamer zitten. De geesten van mijn ouders leken de kamer nog te vullen, zoals altijd sinds hun dood. Ik voelde me niet fijn in ons ouderlijk huis. De renovatie van de woning maakte het eigenlijk nog erger; door de veranderingen in het huis werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt en geconfronteerd met oude pijn die opeens weer op kwam zetten. Opeens wilde ik erg graag ergens anders zijn, maar Mirella zette een kop thee voor me neer en tikte het nieuwsscherm in de tafel aan.
Onder de glazen plaat en naast mijn theekopje gloeide het nieuws op. Het was hetzelfde bericht dat ik thuis in Mentorn had gezien; de nieuwslezer die vertelde hoe een groep jonge radicale magiers de Lentagon hadden gestolen en vertoonde beelden van de bewakingscamera’s. Zowel Mirella als ik hadden ons jongere broertje herkend tussen de dieven. Hij had een masker op natuurlijk, maar zijn donkere haar en zijn unieke eigen gebaren toen hij een Poort opende waren voor ons even herkenbaar als zijn DNA was voor de rest van de wereld: Seamon was betrokken bij de diefstal van de Lentagon.
Ik keek op van het scherm. “Wanneer heb je hem voor het laatst gezien?” vroeg ik.
Mirella fronste. “Anderhalve week geleden. Hij kwam wat spullen halen... hij woont al twee maanden niet meer thuis. Hij is een of andere woning aan het kraken in Kalmstad met een stel van zijn vrienden van zijn ijshockeyteam.”
“Wist je dat hij zich met dit soort dingen inliet?”
“De Jonge Radicalen? Ach, ik wist dat hij het wel eens was met hun uitlatingen, maar ik had geen idee dat hij er ook actief mee bezig was.” Ze zuchtte. “Je weet wel, ruzies over het avondeten over politiek en magie. Ik dacht dat het gewoon puberpraktijken zijn... dat hij het niet met me eens was gewoon omdat ik zijn zus ben.”
“Dat is hij waarschijnlijk ook wel.” Ik keek naar het stilgezette beeld van mijn kleine broertje. Achttien jaar oud, volgende week negentien alweer. Ik was echt te lang weggeweest. Seamon was een jonge man geworden in plaats van een slungelige tiener. Ik kende hem niet meer. “Ik neem aan dat je de politie nog niet gebeld hebt?”
Mirella schudde haar hoofd. Haar donkere haren dansten op haar schouders. “Nee. Ik weet het net zo lang als jij... en komop. Hij is ons /broertje/.”
“Enig idee waar hij uithangt in Kalmstad?”
Ze knikte. “Ik zal een kaart voor je uittekenen.”
II
Mijn motor klonk onnatuurlijk luid in de stilte van de avond. Kalmstad deed zijn naam eer aan; het was er inderdaad doodstil. Ik draaide de straat in en keek langs de verzameling pakhuizen, me afvragend waar mijn broertje en zijn vrienden zouden zitten. De straat was lang, en de pakhuizen waren grotendeels bewoond door krakers. Welke van hen huisvestte Seamon?
Ik zette mijn motor af door de luchtenergietoevoer af te sluiten. Magieschitteringen en overblijfselen van de luchtenergie schitterden flauwtjes in de avondlucht om me heen voordat ze doofden. Ik stond een moment lang stil, mijn plan met mezelf doornemend. In principe had ik niet echt een plan. Ik zou Seamon opzoeken en hem overtuigen dat hij moest breken met de Radicalen en de Lentagon moest terugbrengen naar het Magiersgilde. De kristallen bol was niet echt iets dat in verkeerde handen moest vallen en Seamons vrienden wisten dat natuurlijk. En Seamon zelf, hij ook. Hij was een van de weinigen die sterk genoeg was om de Lentagon te gebruiken. Er zijn er drie in heel Parsia, vier als je mij meetelt. De twee anderen waren allebei lid van het Gilde en hadden de eed gezworen de Lentagon niet te gebruiken voor eigen doeleinden. Seamon, impulsief, onbezonnen, idealistisch en nog te jong om toegang te krijgen tot het Gilde en dergelijke eden te zweren, was hier niet door gebonden.
En Mirella kon hier niets tegen doen. Sinds de dood van onze ouders vijf jaar geleden was Seamon onhandelbaar geworden. Ze had steeds minder en minder controle over hem en had het toegeschreven aan zijn verdriet en de groeipijnen van puberteit. Uiteindelijk had ze de controle laten vieren om zo de sfeer in huis nog enigszins leefbaar te houden en dat was een tijdlang goed gegaan, totdat hij een jaar geleden zijn huidige nieuwe vrienden tegen het lijf was gelopen. Ruzies waren weer aan de orde van de dag, maar in plaats van alledaagse onderwerpen gingen ze nu over politiek, ethiek en magie.
De Jonge Radicalen zijn een groepering van jonge magiers die de ethiek van het Magiersgilde bespotten. Zij beweren dat het Gilde zich onderworpen heeft aan het corrupte beleid van de regering van Parsia en vinden dat het Gilde zich harder moet maken voor de rechten van magiers. Sinds de magie-hatende Pirman partij aan de macht is gekomen na de ramp met de Lentagon is dat geroep van de Jonge Radicalen nog luider geworden: de Pirmans doen hun uiterste best om de rechten van magiers zo af te knijpen zodat ze hun ‘gevaarlijke’ magie zo min mogelijk kunnen gebruiken en dan het liefst alleen in gecontroleerde omgevingen. Het Gilde doet hier weinig tegen.
Toen het Gilde de Lentagon achter slot en grendel opsloot en al het onderzoek op de kristallen bol verbood, is de bom gebarsten. Ik heb het aangezien vanuit Mentorn met stijgende verbazing hoe langzamerhand de sfeer in Parsia verslechterde en de mensen zich verdeelden in twee kampen: een kamp beweerde dat magie gevaarlijk was, de ander beweerde dat magie een geboorterecht was en dus gebruikt moest worden. Toen het eerste kamp begon te winnen in politieke zaken en het Magiersgilde niets deed, begon het tweede kamp zich te organiseren.
Het was niet precies terrorisme, maar het kwam er wel dicht in de buurt. En Seamon was zich gaan interesseren voor hun uitingen.
De situatie thuis werd algauw weer onhoudbaar en Mirella was blij toen hij het huis uit ging zo vlug na zijn afstuderen. Ze had gedacht dat hij wel af zou koelen op zichzelf; dat hij wat verantwoordelijkheid zou leren als hij voor zichzelf zou moeten zorgen, dat hij zou leren wat de waarde van geld betekende en dat hij ervoor moest werken om te krijgen wat hij wilde.
“Blijkbaar was dat de verkeerde tactiek,” concludeerde Mirella somber, en ik had haar gelijk gegeven. Weggaan bij Mirella was een van de dingen die mij een blijer en beter persoon hadden gemaakt, en ik kon me voorstellen dat Seamon dit ook als dusdanig ervaarde en dit ten volle benutte. Geen bemoeizuchtige en vervelende oudere zus die over je schouders je chatlogs meelas en stiekem je dagboek las. Hemel, nee. Seamon had groot gelijk dat hij zijn vrijheid ten volle uitbuitte.
Jammer van de Radicalen, alleen. Onbezonnen getalenteerde jongens als hij zouden zich niet met magie en politiek moeten inlaten, dat was gevaarlijk. Ik had het fijner gevonden als hij zich een alcoholvergiftiging gedronken had of een overdosis aan partydrugs had ingenomen. Sukkel.
Ik keek naar de verlaten straat; de dode bladeren die door de wind voortgejaagd werden over het gebarsten asfalt, de dichtgetimmerde ramen en de graffity op de muren. ‘Magie vrijheid’, ‘Maximaal Magie’. Ja, ik was naar de goede buurt gekomen, dat was wel duidelijk. De dramatiek droop zowat van de muren en ik kon de vage ozon-achtige geur van luchtenergie en magie hier al ruiken.
Het kostte me twee uur om het kraakpand te vinden waar Seamon uithing. De mensen die ik sprak waren gelukkig wel behulpzaam; Seamon was goed bekend en vrij geliefd, en Seamon en ik lijken allebei op wijlen onze moeder. Blijkbaar draagt Seamon zijn haar hetzelfde als ik, want ik wist twee mensen te verassen met mijn aanwezigheid; ze dachten een moment zelfs dat ik Seamon was.
Dat moet meegeholpen hebben. Ik kan me niet voorstellen dat een gemeenschap als deze zich niet bewust is geweest van de kraak en de Lentagon, maar tegelijkertijd kan ik me ook niet voorstellen dat ze hun maatjes zouden verraden aan de politie of het Gilde. Beide partijen werden in ruime mate gehaat door de Jonge Radicalen, de hippies en de kunstenaars die deze bouwvallen bewoonden. Natuurlijk zag ik er ook niet bepaald uit als een van beiden; met mijn afgeragde motorbroek en mijn verwaaide donkere haar zou eenieder veel fantasie moeten hebben om mij aan ofwel de politie of het protserige gilde te kunnen verbinden. Maargoed, dan zou ik altijd nog undercover kunnen zijn.
Gelukkig hielpen de twee totaal verdwaasde hippies en een kunstenaar met groen-zilver haar me uiteindelijk het meest. Aan de andere kant van de straat, op nummer 1684, vond ik tenslotte Seamon, die tot mijn ultieme opluchting gewoon thuis was. Hij lag te slapen op zijn bed; pilstrips, sterke drank en grasfilters lagen naast hem op een nachtkastje. Zijn huisgenoten waren er hemelzijdank niet, dus ik had de deur met een simpele lucht en metaal combinatie kunnen forceren. Ik denk trouwens ook niet dat ze me binnengelaten hadden. Hun buren waren tot daar aan toe, maar Seamon en zijn huisgenoten hadden de Lentagon ergens in hun bezit en zouden binnenkort de plannen die ze ermee hadden in werking gaan stellen. Niet veel mensen deelden in hun paranoia en hun waakzaamheid buiten wat sociale controle... en ik leek echt op de Seamon die ze kenden.
Ik legde mijn hand op zijn schouder en schudde zachtjes. “Hey, gozer.”
Seamon schrok zich wild. Hij had met zijn rug naar me toe gelegen en met zijn gezicht naar de muur in een innige omhelzing met wat dekens, maar voordat ik twee keer met mijn ogen kon knipperen zat hij rechtop en keek me aan, zijn donkere ogen wijd opengesperd en de dekens nog vastklampend. “Wat?!”
“Hey Seamon,” zei ik rustig.
Hij knipperde de slaap uit zijn ogen en focuste zijn blik op me. “Sirka? Wat moet jij hier?”
Precies dezelfde woorden die Mirella geuit had toen ze me zag. Ik grijnsde een beetje wrang. “Wat denk je?”
Seamon zuchtte en haalde een hand door zijn verwarde lange haren. “Kon ze zelf niet komen?”
“Natuurlijk niet. Je zou haar zo wegpoorten en dat weet je. Ze zou er niets tegen kunnen doen.” Mirella was best goed, maar ze was bij lange na niet zo getalenteerd als Seamon en ik.
“En jij wel?” Er was een ondeugende grijns verschenen op Seamons gelaat. Ik herinnerde me opeens onze krachtmetingen van vroeger: Seamons jonge ruwe talent en vindingrijkheid tegen mijn vastgestelde en volledig benutte potentieel. “Ik ben sterker geworden, weet je.”
“Dat weet ik. Sterk genoeg om de Lentagon te kunnen gebruiken. En dat is precies waarom ik hier ben. We gaan dat ding terugbrengen en onze eed zweren aan het Gilde.”
“Oh nee.” Seamon stond op en zette een paar stappen opzij. Hij was in zijn kleding in slaap gevallen en stond nu in vol ornaat voor me; slechts een paar centimeter groter dan ik, slank maar wel gespierd genoeg, in een bijna identieke leren motorbroek en een wit shirt als ik droeg. Er was tien jaar leeftijdsverschil, maar hemel, het was geen wonder dat de andere krakers me voor Seamon aangezien hadden. “Dat ga ik niet doen.”
“Natuurlijk wel,” corrigeerde ik op een plezierig toontje. “Want je weet dat noch Mirella noch ik iemand met jouw talent als staatsgevaar laten rondlopen samen met die idiote Radicalen. Ofwel je gaat met mij terug naar het Gilde, ofwel we waarschuwen de politie.”
“Dat zou je niet doen!” barstte hij uit.
Ik sloeg mijn armen over elkaar. “Wel dus. Seamon, ben je gek geworden? De /Lentagon/?”
Het was een confrontatie in een muf-ruikende kamer, tussen hopen kleding, papieren, pilstrips, een afwas die een week geleden al gedaan had moeten worden, en een geur van stimulerende en kalmerende rookwaren in de lucht. Ik stond daar, mijn benen iets gespreid en mijn armen over elkaar, kalm en vastberaden, op anderhalve meter afstand van mijn broertje, wiens gezicht verdonkerde in woede. Hij balde zijn vuisten.
“Je snapt het niet, Sirka. Het is ons geboorterecht. We zouden het moeten gebruiken. Alle magiers zouden het moeten kunnen gebruiken. De Pirmans kunnen dat niet van ons wegnemen met al hun bureaucratisch gezeik en hun regeltjes! En het Gilde doet /niets/ ertegen!”
Ik voelde mijn eigen vuisten zich ook ballen. “Nee, /jij/ snapt het niet, Seamon. De Lentagon is /gevaarlijk/. Weet je nog, pap en mam? Die volwassenen in het huis die je opgevoed hebben en van je hielden tot je veertiende, toen ze stierven?” Daar was de pijn weer. “Experimenteren is /gevaarlijk/, Seamon. Als jij en Mirella thuis geweest waren, dan waren jullie /ook/ gestorven die dag, verdomme!”
“Zo lang we niet experimenteren en daardoor niet weten waar onze grenzen zijn, zal het altijd gevaarlijk blijven,” repliceerde Seamon hooghartig. “Jij verstopt je voor je magie, Sirka. Het is je geboorterecht... en je bent net zo’n lafaard als de rest.”
“Ik hoef er niet mee te experimenteren. Ik heb genoeg geexperimenteerd voor de rest van mijn leven.” Voor mijn geestesoog flitste het uitgebrande karkas van mijn huis en het meeste van de straat waarin we woonden, het ziekenhuis, de wetenschap dat iedereen dood was, mijn vader met de Lentagon “hiermee kunnen we onze magie focussen en onze energie bundelen, meer dan ooit!” toen hij het als dusdanig presenteerde aan de Universiteit en het Gilde. Hij had geld gekregen om de Lentagon die hij gecreerd had verder te bestuderen. Mijn vader, moeder en ik hadden ons er alledrie over gebogen. We hadden bundelexperimenten uitgevoerd, koppelexperimenten, energie-experimenten. En toen was het mis gegaan. Ik kon de gebundelde hoeveelheid energie die we gecreeerd hadden met zijn drietjes en de Lentagon niet dragen en een explosie was het gevolg geweest. Ik weet niet waarom ik het overleefde en mijn ouders niet. Karma, wellicht.
“Sir, ik vind het ook erg van pap en mam, en ik mis ze nog elke dag. Maar de Lentagon is ons geboorterecht. We /moeten/ het onderzoeken anders zal het altijd gevaarlijk blijven. Wat als het in verkeerde handen valt?”
Ik lachte schamper. “En jouw handen zijn niet de verkeerde?”
“Het is mijn /familie/ die het creerde. Nee, ik ben niet de verkeerde.”
“En je vrienden dan?”
“Zij zijn te vertrouwen, ze zullen heus niet-“
Ik wist al wat hij wilde zeggen. En ik begreep opeens alles. “Hemel Seamon, ben je dom ofzo? Natuurlijk zullen die dat. Waarom denk je dat ze je aangetrokken hebben?” De Jonge Radicalen hadden hem expres aangetrokken. Wie de Lentagon had, werd serieus genomen. Ze wilden hem en de Lentagon gebruiken om hun eisen door te drukken bij het gilde en de overheid. Het was alsof ze een tikkende bom in hun handen hadden met Seamon en de Lentagon en iedereen zou zich ervan bewust zijn. Het plan was briljant en logisch, helemaal in de lijn van de verwachtingen. Ik dacht aan de schermutselingen en die compressiebom in die auto bij het Regeringskantoor en ik moest huiveren bij de gedachte dat deze mensen mijn broertje en de Lentagon beheersten.
“Zo is het helemaal niet, je-“
“Oh Seamon kom /op/! Ik dacht dat je een slimme jongen was, maar je bent zo naief als maar kan.”
“Ik hoef hier niet naar te luisteren,” verklaarde Seamon. Een verbeten trek vormde zich om zijn mond. “Rot op, terug naar Mentorn. Je hebt het recht niet.”
En het volgende moment voelde ik de wereld om me heen tollen en bevond ik me op straat.
III
“Kleine rotzak!” schreeuwde ik terwijl om me heen de realiteit dit nieuwe scenario van mijn persoon op straat accepteerde. De misselijkheid en desorientatie verdwenen, zodat ik me weer genoeg kon concentreren om de realiteit opnieuw te veranderen. Als je het zelf doet, kan je je voorbereiden op een poorting en dan word je niet zo misselijk.
Hemel, wat was die jongen snel. Zijn kamer was leeg, Seamon was verdwenen. De realiteit blubberde nog na van de hoeveelheid manipulatie die plaats had gevonden in zulke korte tijd. Ik rende naar het raam en zag Seamon net achter een hoek verdwijnen in de steeg beneden. De achteruitgang. Nog een poort; het zou te veel tijd kosten om al die trappen naar beneden te rennen.
Een wilde achtervolging volgde. Het duurde even voordat ik me realiseerde dat hij me vooral voorbleef omdat hij niet rende, maar zichzelf droeg – ik begreep eerst niet hoe het mogelijk was, maar toen ving ik een glimp op van de kristallen bol in zijn handen, en toen werd het duidelijk. Hij was aan het glijden op luchtmanipulaties, geholpen door de Lentagon. In zijn eentje zou hij dit nooit zo lang hebben volgehouden, bedacht ik, terwijl mijn hart in mijn keel bonkte en mijn longen brandden. Ik bleef echter rennen. Als ik Seamon nu kwijt zou raken in dit doolhof van steegjes, zou ik hem nooit meer terugvinden.
Hij bleef me steeds net genoeg voor om het niet op te geven; steeds als ik dacht dat ik hem kwijt was kon ik een glimp van hem opvangen terwijl hij een hoek omschoot, maar de afstand tussen ons vergrootte en ik vreesde dat ik hem spoedig zou kwijtraken hier tussen al deze muren als we niet gauw op straat terecht kwamen.
Gelukkig was dit het geval. Ik rende tussen de nauwe doorgang vandaan, midden op straat. En hoe rustig het was in de straat waar Seamon woonde, zo druk was het hier. Er waren overal auto’s en motors. Sommigen stonden gewoon geparkeerd, anderen hadden verveeld-uitziende mensen achter het stuur en op de achterbank. Ach, natuurlijk: het poortstation. Het was wel duidelijk waar Seamon naar op weg was: hij wilde wegpoorten waar ik hem niet kon volgen. De gecombineerde krachten van het twintig man tellende poortteam kan je overal naartoe brengen, als je maar genoeg betaalt. Ik denk niet dat Seamon van plan was om te gaan betalen of te wachten op zijn beurt.
Hij verminderde in ieder geval geen vaart terwijl hij op de rij auto’s afvloog; eigenlijk het tegendeel. Ergens onderweg had hij een hockeystick opgepikt die ik nog niet eerder gezien had. Had hij hem meegenomen van huis?
Ik rende achter hem aan en kon slechts met stijgende verbazing toezien hoe hij de luchtmanipulatie verminderde tot het hem alleen nog maar extra snelheid gaf en hij de Lentagon uit zijn handen liet vallen – ik gilde het uit van schrik – maar hij ving de kristallen bol handig op met zijn stick en stuurde zichzelf en de Lentagon tussen de auto’s door alsof hij nooit wat anders gedaan had.
/Hij is een woning aan het kraken met een stel vrienden van zijn ijshockeyteam,/ had Mirella gezegd.
IJshockey.
Ik keek naar hoe mijn broertje de Lentagon handig tussen de auto’s doorstuurde met zijn hockeystick en voelde mijn haren te berge rijzen. Dit was het meest krachtige magische object ter wereld, het had mijn ouders en mijn halve straat het leven gekost om bij deze kristallen bol in de buurt te zijn en Seamon /hockeyde/ ermee?!
Hoewel het een prachtig schouwspel was om mijn broertje tussen de auto’s door te zien dansen, had ik geen tijd te verliezen. En dus poortte ik.
Het is gevaarlijk om te poorten in de buurt van een Poortstation, maar het was niet alsof ik erg veel keus had. Als Seamon de Poort eerder bereikte dan ik, dan zou ik zowel hem als de Lentagon kwijt zijn.
Ik was me altijd bewust geweest van de theorie van het gevaar. Poorten zijn scheuren in de realiteit. Permanente poorten, die vierentwintig uur per dag, zeven dagen in de week in stand worden gehouden door een poort-team zijn diepe scheuren, die de realiteit in de nabijheid vervormen. Het kost veel training om te kunnen functioneren in een dergelijke omgeving als magier. Ik heb een tijdje in een poort-team gewerkt en ik liep constant rond met hoofdpijn en een vaag gevoel van misselijkheid. Maar het verdient goed, dus daar stap je als teamlid ook wel overheen. Je raakt er aan gewend om onder miserabele omstandigheden te manipuleren.
Dit was echter veel, en veel meer dan een simpele hoofdpijn. Onstabiele realiteit is /niet/ iets waar je in wil poorten. Ik verloor bijna mijn manipulatie door de scheurende pijn die door mijn geest trok, en verloor daarbij eveneens bijna mijn leven. Dat ik vast heb weten te houden is krediet aan mijn vroegere baantje bij de Poort, denk ik. Ik begreep nu in ieder geval wel waarom we nooit toegestaan werden om in een straal van een halve kilometer rond de Poort mochten manipuleren of prive-poorten creeeren.
En nogmaals die dag arriveerde ik in een wolk van vloeken en schitteringen. Alles draaide misselijkmakend terwijl de toch al verstoorde realiteit me probeerde te accepteren.
“Godverde-“
“Ik heb hem, ik heb hem!”
“Wie /is/ die idioot?”
“Hey, het is een vrouw!”
Ik werd ruw omhoog getrokken aan mijn shirt en probeerde uit alle macht niet over de Poorter heen te braken. “Lentagon,” hoestte ik, hopend dat mijn avondeten er niet mee uit zou komen. “Hij komt eraan.”
Hun reactie had ik niet verwacht, terwijl ik toch echt alle rampenprocedures uit mijn hoofd ken. De Poorter (een grote man met brede schouders en in het rood-zwarte poortersuniform) liet me vallen, zodat ik pijnlijk op mijn knieen zonk.
Nogmaals tolde de realiteit om me heen terwijl voor het eerst in jaren de Poort van Kalmstad werd afgesloten.
Er klonken uitroepen van frustratie en hoorngeschal uit het wachtende Poortpubliek, maar de Poorters schonken er geen aandacht aan. De Poort was dicht, en ze vormden als een linie een nieuwe energie; het bestond uit vooral luchtmanipulatie en een beetje aarde, maar ik wist wat het was.
Het wordt je uitgelegd op de eerste dag van de training; het gebeurt vaker dat criminelen een Poort willen gebruiken om weg te komen. Soms worden Poorten gesaboteerd of worden er gijzelaars meegenomen door de Poort heen. Er zijn verschillende rampscenario’s waar je op voorbereid wordt. En dergelijke rampen zijn frequent genoeg om iedere waarschuwing serieus te nemen, vooral hier in Parsia waar de onvrede onder de magiers het grootst is.
Het was een prachtig gezicht om Seamon tussen de auto’s door te zien dansen – vol gratie, overgave en de energie van de jeugd, stralend met de magie van de Lentagon… dat was mijn broertje. En op dat moment was hij magnifiek. Ik weet niet of het poort-team onder de indruk was. Ze zagen de Lentagon, namen efficient hun beslissing, en het volgende moment viel de klap. De val van lucht en aarde sloeg om Seamon heen en vormde ondoordringbaar schild.
Seamon reageerde niet zo snel als iets daarvoor in zijn kamer. Hij wilde wegduiken, maar was te laat omdat hij de controle over de Lentagon verloor. Terwijl hij verstrikt raakte in de luchtmanipulatie, rolde de Lentagon met een lieflijk getinkel over het asfalt en recht in mijn handen.
Het was vijf jaar geleden sinds ik de Lentagon voor het laatst aangeraakt had. De laatste keer waren er zesendertig mensen gestorven en meer dan honderd mensen gewond geraakt.
Mijn handen reikten uit naar de kristallen bol en sloten zich eromheen.
“Sirka!” schreeuwde Seamon. Hij bonsde met zijn handen op het schild in een uiting van futiele woede. “Verrader!”
Ik hield de Lentagon in mijn handen en voelde dwars door de zoetheid en de aanlokkelijkheid van de macht die het me aanbood de dood van onze ouders nogmaals geschieden in mijn herinnering. Ik knipperde tranen weg en keek mijn broertje rustig aan. “Nee, jij bent de verrader.”
Maar waarom maakte ik die manipulatie dan?
IV
Uiteindelijk had ik mijn beslissing allang genomen in de diepste krochten van mijn hart, maar hadden mijn hersenen dat gewoon nog niet geweten.
Het ging heel snel. De Poorters naast me hadden niet eens de kans om te reageren. Tussen de ene hartslag en de andere viel het schild dat Seamon gevangen hield weg en trok ik de Poort moeiteloos weer open, mijn bloed zingend in resonantie met de Lentagon in mijn handen. Het voelde weer zo vertrouwd. Er was op dit moment geen magier ter wereld die de Lentagon zo goed kende als ik, en vijf jaar hadden hier geen verandering in gebracht. Ik was weer drieentwintig en arrogant in het aftasten van mijn volledig uitgegroeide potentieel, en ik had de Lentagon bij me.
Ik voelde de resten van het schild achter me verwaaien in een briesje en Seamon’s verraste uitroep bereikte me net voordat ik door de Poort stapte. Met de Lentagon in je handen heb je geen twintig-koppig poort-team nodig. Met de Lentagon kan je het in je eentje af. De realiteit om me heen leek te smelten, en toen bevond ik mezelf in mijn eigen achtertuin in Mentorn, aan de rand van het Mentornameer.
Achter me was de stad met al haar lichten en haar leven, maar hier vlak voor me was alles stil en sereen. Het kristalheldere water van het meer lag zo glad als een spiegel waarin de sterrenhemel helder weerspiegeld werd. Er was niet eens een briesje. Kippelvel trok over mijn armen terwijl ik me realiseerde wat mijn hart besloten had voordat mijn hersenen op het idee konden komen.
Mijn vingertoppen streelden over het gladde oppervlak van de kristallen bol. Zo prachtig en aanlokkelijk en geweldig als de Lentagon was, ik moest hem laten gaan. Het was de uitvinding van mijn vader, maar met deze uitvinding had hij een potentiele ramp op de wereld losgelaten. Idioten zoals de vrienden van mijn naieve broertje zouden altijd misbruik willen maken van de Lentagon. We zouden nooit veilig zijn.
Eigenlijk had de Lentagon vijf jaar geleden al vernietigd moeten worden. Waarom had ik daar niet harder voor gepleit? Waarom had de samenleving niet gepleit voor de vernietiging van de Lentagon? De argumenten dat het gevaarlijk was om zoiets krachtigs te vernietigen waren doorzichtig. Het was duidelijk dat Parsia de Lentagon in haar bezit wilde houden. De regering in al haar hipocrisie had besloten om het te gebruiken als een soort afschriksysteem tegen de rest van de wereld, als een potentieel wapen, terwijl ze overal schreeuwden dat magie gevaarlijk en verwerpelijk was. En de bevolking had het geslikt.
Het koele kristal in mijn handen ving het sterrenlicht en flonkerde een beetje. Ik glimlachte wrang. De rest van de wereld zag de Lentagon als een wapen... en ik, ik wilde de bol gewoon houden. Ik wilde ervan houden, zelfs na wat er gebeurd was. Of het nu verantwoordelijk was voor de dood van mijn ouders of niet, mijn vader had dit meesterwerk zelf gewrocht. Ik kon het bijna niet over mijn hart verkrijgen om het te vernietigen.
En toch… Ik pakte luchtstromen samen voor een luchtmanipulatie en voelde hoe gemakkelijk het ging; als ademhalen. Met de Lentagon in mijn handen was iets onnatuurlijks als zweven net zo gemakkelijk en natuurlijk als een wandeling in het park, terwijl ik zonder de Lentagon dit op zijn hoogst een halve minuut zou kunnen volhouden. De luchtmanipulatie onder mijn voeten zorgde voor een geweldig gevoel toen ik de eerste stappen boven het wateroppervlak van het Mentornameer nam.
Ik begon te lopen. Mijn schoenen raakten net de waterspiegel niet, maar zweefden enkele centimeters boven het water. Het voelde geweldig. Ik nam wat meer lucht mee en gaf mezelf een zetje, zodat het voelde alsof ik over het water gleed. De wind blies mijn haren uit mijn gezicht en ik kon een lach niet onderdrukken. Ik hoorde hoe mijn stem over het oppervlak van het meer gedragen werd en lachte nog meer, mijn snelheid vermeerderend terwijl ik danste over het wateroppervlak en druppels zilverig om me heen opspatten.
Uiteindelijk had ik mijn bestemming bereikt: het diepste punt van het Mentornameer bevond zich recht onder mijn voeten. Ze zeiden dat het in dit gletsjermeer op het diepste punt bijna veertig meter diep was, en dat de dikke laag modder op de bodem alles wat je hier in het water zou laten vallen gulzig zou opzuigen.
Ik keek naar de Lentagon in mijn handen en voelde mijn hart breken in de weerspiegeling van dat prachtige sterrenlicht.
En toen liet ik hem vallen.
Het Mentornameer rimpelde en slokte de Lentagon op zonder een enkel probleem.
Zelf volgde ik enkele seconden later.
Het kristalheldere water verkilde me binnen de seconde op het bot, en ik schreeuwde van schrik.
/Ik moet ook nog terug,/ realiseerde ik me in een flits van helderheid. /En de oever is vijftien kilometer van hier./
Het water tintelde tegen mijn huid en verkilde mijn vlees en bloed. Miscalculatie. Een grove miscalculatie. Hoe had ik zo stom kunnen zijn? Ik draaide me op mijn rug en begon te zwemmen, vechtend tegen moeheid en de kou. Als ze mijn lijk zouden vinden, dan zou het in ieder geval niet in de buurt van de Lentagon zijn. Het laatste wat ik nu kon doen was afstand scheppen.
En mezelf vervloeken voor mijn impulsieve stupiditeit.
einde