Hoofdstuk 2: Waarin Deon Dom en Haras Slim Is

Het eerste wat Remtald en Hea deden was naar het dorp gaan, om het plaatselijke hotel op te zoeken. De hotelbediende keek verschrikt uit zijn slaperige staat op toen daar opeens Remtald de lobby in kwam stappen. Hij schoof zijn stoel wat achteruit, maar dat hoefde niet. Remtald en Hea schonken hem geen seconde aandacht en stoomden beiden op de trap af. Op de tweede verdieping, na twee trappen te hebben beklommen, liep Hea naar kamer 238 en haalde de kamersleutels uit haar rechterbroekzak, wat ietwat moeilijk ging, gezien het feit dat Hea, en haar kleren, zeiknat waren. En zoals je misschien weet, is het altijd moeilijker om je hand in een natte broekzak te wurmen, vergeleken met een droge. Maar uiteindelijk kwam hij er uit en toen was de deur ook meteen open. Hea stormde de kamer binnen, greep een kleine rugzak, propte er de meest noodzakelijke dingen in en verliet de kamer een kwartier later weer. Ze had haast. Dingen waren een beetje scheef gelopen. Nooit had Hea ontdekt mogen worden door de MGD. Nu dat wel was gebeurd was het oppassen geblazen. Hea wist niet of er nog meer mensen van de MGD in het dorp waren. Als Deon werd gemist door een eventuele partner was hij morgenvroeg alweer vrij. En dan waren de poppen aan het dansen. Hea gooide de deur dicht met een klap dat het hotel er van schudde en de hotelbediende beneden, er slaperig van opschrok, alvorens een knor te geven en weer in te dommelen in zijn stoel. Dat dommelen duurde niet lang. Een halve minuut had Hea erover om de trappen af te vliegen. De hotelbediende schrok voor de derde keer die dag, toen Hea, samen met Remtald, voor hem, tegen de balie aan stonden.

"Ik wil graag om een inlichting vragen."

De man had ogen zo groot dat ze in de schedel van een olifant leken te passen. Normaal mocht een hotelbediende nooit zomaar inlichting weggeven, maar de man was zo verschrikt door de verschijning van Remtald voor zijn neus dat hij terstond alle regelementen van het hotel was vergeten. Hij knikte nerveus en liet Hea praten.

"Is er hier een man genaamd Deon Rextroat woonachtig?" vroeg Hea op snelle toon.

De nerveuze hotelbediende antwoordde even snel terug, na een blik te hebben geworpen op het hotelregister. Hij knikte terwijl hij bevestigend zei:

"Ja, die heeft zich vandaag nog ingeschreven."

"Had die man iemand anders bij zich?" vroeg Hea onmiddellijk. Ze hoopte van niet, natuurlijk, want dan zouden ze niet zo'n haast hoeven maken. De MGD zou er pas later achter komen dat Deon Rextroat nog steeds niet terug was met een rapport en zouden naar hem gaan zoeken. Maar die hoop werd vernietigd.

"Ja," zei de hotelbediende. In antwoord op dat woord, bonsde Hea kwaad haar vuist op de balie. De hotelbediende schrok hier zo van dat hij spontaan naar achter sprong. Hea draaide zich naar rechts, weg van beide de hotelbediende en Remtald, die links van haar stond.

"Ik wist het!" zei ze, haar vuist verder samenknijpend tot haar hand vuurrood werd. Ze draaide zich naar Remtald en zei, terwijl ze hem vastpakte:

"We moeten nu gaan!"

Ze sleurde hem het hotel uit. Ze hadden nu beiden jassen aan, sinds Hea haar eigen jas had gepakt in haar kamer en de zeiknatte jas van Remtald aan zijn eigenaar had gegeven. De regen was in het kwartier dat ze het hotel binnen waren geweest, iets gekalmeerd, maar het viel nog steeds hard naar beneden. Terwijl ze door de deur verdween, stapte de hotelbediende weer naar voren en keek de twee kinderen verbaasd na.


"Waar gaan we nu naartoe?" was de eerste vraag die Remtald stelde toen ze buiten weer in de regen stonden... liepen... renden...

"Merritbrakken," antwoordde Hea kort.

Remtald haalde de kaart van Magalia er in zijn gedachten weer even bij. Als hij het niet verkeerd had, lag Merritbrakken niet eens zo heel ver weg van Wystoka. Een reis van twee dagen, als je snel opschoot. Maar Remtald wist dat Hea wilde opschieten. Als ze genoeg geld bij zich had om een paard te huren dan waren ze er morgenmiddag al.

"Lopend? Met een paard? Ik kan je naar een plaats brengen waar ze paarden verhuren," stelde Remtald voor. Maar Hea sloeg dat aanbod af.

"Ik heb een veel beter plan," zei ze, terwijl ze, hijgend, door de regen rende. Enkele minuten later liepen ze het dorp uit, op een pad dat liep naar het nabij gelegen dorp Umikerpas. Het duurde wat langer om er te komen dan normaal, want het was al avond en de wolken ontnamen de aarde van zijn zonlicht, zodat het leek alsof het middernacht was. De weg naar Umikerpas was door bos en heide en niet bestraat. Het was dus uitkijken om niet te struikelen. Na vijf minuten op het ruwe pad te hebben gerend, had Remtald al een haal net boven zijn oog gekregen van een laaghangende tak over het pad en was Hea al twee keer over een boomstronk gestruikeld en in de modder gevallen, wat haar humeur, maar vooral haar kleren, die eigenlijk van Remtald waren, er nou niet bepaald beter op maakte. Maar het lukte ze toch om na een dik kwartier het eerste huisje, een schuur waaruit het geblaat van schapen duidelijk te horen was, te bereiken van Umikerpas. Nog steeds viel de regen onveranderlijk neer op de arme zielen. Na enkele huizen buiten het dorpje te zijn gepasseerd, begon Hea plotseling een weiland in te lopen, naar een vervallen schuurtje dat waarschijnlijk buiten gebruik was.

"H-hey!" riep Remtald, toen hij Hea zomaar het weiland in zag gaan, "waar ga je naartoe?"

Hea gaf geen antwoord op die vraag en bleef doorlopen. Remtald volgde haar maar. Toen Hea bij het schuurtje was aangekomen, keerde ze zich om en bleef op Remtald wachten. Toen Remtald er ook was, liep ze om het geval heen, naar een deur zoekend. Die zat precies aan de andere kant. Hea duwde hem open en een muffe lucht kwam er uit drijven dat ze er een paar seconden stijf van stonden. Hea trad als eerste binnen en vroeg Remtald om wat licht te maken. Remtald snapte wat Hea van hem wilde. Hij klapte de palmen van zijn handen tegen elkaar en hield vervolgens zijn vuist voor zich uit. Meteen werd de vuist omgeven door rondspringende elektriciteit, dat genoeg licht produceerde om te zien wat er allemaal wel niet in het schuurtje stond.

"Daar is-ie," zei Hea, terwijl ze verder het schuurtje in liep. Remtald werd nieuwsgierig. Was hier nog iemand aanwezig?

Hij liep met snelle passen achter Hea aan. Alras kwamen ze het lichaam van een jongen rond de zeventien jaar tegen, die, naar zijn langzame ademhaling te oordelen, heerlijk lag te slapen in een bed vervaardigd uit enkele strobalen. Hea was niet bepaald zorgvuldig met hem en het eerste wat hij met hem deed was een voet in zijn maagstreek zetten en even hard duwen.

"Wakker worden, slaapkop!"

De verbale en fysieke acties van Hea hadden onmiddellijk effect. De ogen van de jongen schoten open en hij keek verschrikt rond, terwijl hij zich oprichtte. Hea had haar been alweer weggehaald.

"Wie is daar?!" vroeg de jongen.

"Herken je mijn stem niet eens!?" zei Hea.

De jongen liet een zucht van opluchting.

"Oh, jij bent het maar," zei de jongen, terwijl hij zich weer ten slape neerlegde. Dat was geen verstandige keuze. Remtald zag hoe, in het kleine beetje licht dat hij nog steeds produceerde, Hea een voet tegen de rechterkant van de jongen zette, de voet ietsje naar achter haalde en toen met kracht terugbewoog. Het resultaat was geweldig. De jongen gaf een gil terwijl hij het strobalen bed uit rolde. Eenmaal op de grond, klapte hij tegen enkele stukken gereedschap, zoals bezems, harken en spades, die tegen de muur rustten. Vanzelfsprekend vielen deze om en kwamen met luid gerammel op de stenen vloer terecht, met uitzondering van de stalen bezem die op de neus van de jongen belandde. Het slachtoffer gaf wederom een schreeuw, ditmaal van de pijn. Hij duwde de ijzeren bezem van zich af en stond op, aan zijn voorhoofd wrijvend, om de pijn "eruit te wrijven". Het hielp weinig, want toen de jongen in het licht van Remtald's "lantaarn" stapte, had de jongen een pijnlijke uitdrukking op zijn gezicht. Één voordeel: hij was nu wél wakker.

"Eigen schuld dikke bult," zei Hea.

De jongen gromde even en vroeg toen:
"Waarom ben je hier? We zouden pas morgen elkaar weer ontmoeten."

"We hebben wat problemen met de MGD gehad. We moesten zo snel mogelijk vertrekken," legde Hea heel kort uit. De jongen hield op met wrijven.

"De MGD? Nu al? Die zijn snel dit keer!" zei hij. Hij verlegde zijn blik naar de lichtmakende Remtald.

"Dat is "Netherlands"?" vroeg hij.

Hea knikte, maar realizeerde dat dat gebaar in het flauwe licht maar moeilijk zichtbaar zou zijn en zei kort "ja".

"Netherlands?" vroeg Remtald zich verbaasd af.

"Heb je hem nog niet over de codenamen verteld?" vroeg de jongen.

"Nee, nog niet. Dat had ik hem morgenvroeg willen vertellen, maar dat is dus niet doorgegaan. Laat de codenamen maar even vallen. Dit is Remtald Kaichiru."

Remtald keek even op van het feit dat Hea zijn volledige naam kende. Hij had het volgens hem niet in haar nabijheid gezegd. Hij bedacht meteen dat Hea, als lid van Rapal, waarschijnlijk voordat ze hem zelfs had ontmoet, al zijn naam wist, of het anders wel van klasgenoten had gehoord. Hea keerde zich nu naar Remtald, terwijl ze zei:
"Dit is Porta Yermin."

Nadat Hea aan Porta had uitgelegd wat er was gebeurd, was Porta even stil om alles op zich in te laten werken.
"Dat is vrij ernstig. Dat betekent dat we geen tijd te verliezen hebben!" constateerde Porta wat Hea en Remtald een uur geleden hadden geconstateerd.

"Precies. Daarom ben ik hier ook veel vroeger dan afgesproken. De vraag is nu: hoe snel kunnen we vertrekken?"

"We hebben geluk," meende Porta, "Gerda, Imik en Poppokas zijn in de loop van deze avond aangekomen."

"Dus we kunnen meteen weg?" vroeg Hea naar bevestiging.

"Ja," zei Porta, knikkend, "ze zijn nu verzameld in het bos waar jullie zojuist vandaan kwamen. We zullen er naartoe moeten lopen, want ik wil nu geen risico lopen om ze hier te laten komen. Je hebt kans dat iemand ze ziet."

Remtald begreep maar half waar Hea en Porta het over hadden. Wie waren die drie personen die Porta zojuist had genoemd? Poppokas, Umik, als hij het goed had onthouden, en nog een andere naam die hij nu al weer was vergeten.

"Door de regen, dus weer," zei Hea, ertegenop ziende dat ze alwéér naar buiten moest. Ze zuchtte eens diep en draaide toen om, naar de uitgang lopend. Porta volgde haar meteen en vlak daarachter liep Remtald. Remtald liep op een drafje langs Porta, naar Hea. Toen hij naast haar liep vroeg hij zachtjes:
"Wie zijn "ze"?"

Hea keek hem even vragend aan, niet begrijpend waar Remtald het over had. Toen schoot het haar te binnen dat hij het waarschijnlijk had over Gerda, Imik en Poppokas. Ze giechelde even en keek hem ondeugend aan:
"'t Is leuker als je 't zelf ziet," zei ze, met een ondeugend lachje op haar lippen.

"Is er iets speciaals te zien aan die mensen?" vroeg Remtald.

Hea lachte nu even.

"Haha... ik ga niks verklappen," zei Hea plagend.

Remtald gaf een ongeduldige zucht en gaf op. Hij zou het zometeen wel zien.


En toen hij ze eenmaal zag, viel zijn mond open van verbazing. Het waren geen mensen, zoals hij had verondersteld... het waren arenden. En niet van die kleintjes... nee, elk individu was zo groot als een klein model gevechtsvliegtuig. De beesten keken nieuwsgierig naar Remtald.

"Dit," zei Porta," wordt ons transport."

"Ik dacht dat we morgenmiddag zouden vertrekken," zei de grootste der vogels opeens. Remtald sprong even van schrik achteruit. Niemand besteedde daar aandacht aan en het gesprek ging gewoon verder.

"Ja, uhm... er schijnt iets fout te zijn gelopen," zei Porta.

"MGD," voegde Hea er aan toe.

"Hmm," was de reactie van de grote vogel. Hij keek nu naar Remtald, die nog steeds ietwat verschrikt naar de grote gevleugelde beesten stond te kijken.

"En dat is "Netherlands"?" vroeg de vogel.

"Ja. Zijn naam is Remtald... Remtald... Hea, wat was zijn achternaam?"

"Kaichiru," antwoordde Hea meteen.

Porta richtte zich naar Remtald.

"De grootste is Imik, de kleinste is Gerda en de ander is Poppokas."

"Ah... hallo," zei hij, nerveus omhoog starend naar de grote roofvogels.

Één der grote vogels glimlachte en zei:

"Bang, kleine jongen?"

Remtald schudde.

"Nee... 't is gewoon... onverwacht," zei Remtald, terwijl hij naar de grote snavel van Imik staarde.

"Bewaar het kletsen voor later," zei Hea, "we moeten nu weg."

"Begrepen," zei Poppokas, terwijl hij zijn vleugel uitstrekte totdat het lichaamsdeel enkele centimeters verwijderd was van Remtald. Remtald begreep even niet wat Poppokas deed, maar toen realizeerde hij het: ze zouden op de ruggen van de arenden naar Merritbrakken reizen!

"Wacht," zei hij verschrikt, "gaan deze ons naar Merritbrakken brengen?"

Porta knikte.

"Dat heb je heel goed geraden, jongen," prees Porta hem, "klim maar via Poppokas' vleugel naar zijn rug. Deze zullen ons in een halve dag in Merritbrakken brengen."

Gerda bracht haar vleugel naar beneden, vlak voor Hea en Imik, de grootste van de koppel arenden, deed hetzelfde voor Porta. Hea en Porta begonnen meteen op de vleugels te klimmen en Remtald stond even toe te kijken hoe ze dat deden. Het zag er uit alsof Hea en Porta dit veel vaker hadden gedaan en, zo dacht Remtald, dat zou ongetwijfeld de waarheid wel zijn.

"Schiet je op," zei zijn eigen arend, Poppokas, tegen hem, met een glimlach over zijn snavel, "we willen vandaag nog weg."

Remtald knikte en begon de vleugel op te lopen. Het was makkelijker dan Remtald had gedacht. Binnen dertig seconden zat hij op de rug van de arend.

"Zo, dan kunnen we nu vertrekken," zei Porta.

Zonder nog wat te zeggen, begon Imik, en vlak daarna Gerda en Poppokas, op en neer te slaan met hun vleugels en, eerst langzaam, maar daarna sneller, kwamen de drie grote beesten van de grond af. Remtald hield zich stevig vast, twee veren vastgrijpend op de rug van Poppokas. Remtald keek naar beneden en slikte. Hij had het nou niet bepaald op grote hoogtes. Remtald keek maar snel voor zich uit en vervolgens om zich heen. Imik vloog een tiental meters links van Poppokas en Gerda vloog daar weer naast. Praten was moeilijk. Ten eerste was er de afstand die de stemmen moesten overbruggen en ten tweede was er de wind dat boven bijna alles uit kwam. Alleen luid schreeuwen zou misschien de aandacht trekken van de andere persoon en of die het dan zou verstaan is maar de vraag. Bovendien zou je binnen een half uur zo schor zijn dat je stem een maand lang nodig zou hebben te herstellen. Remtald gaf een zucht. Het zou een lange, saaie reis worden van twaalf uur.


Terwijl Poppokas, Imik en Gerda, met hun passagiers Hea, Porta en Remtald onderweg waren, gaan wij nog even terug naar Wystoka, want in dat dorpje is ons verhaal nog niet afgelopen. Het was zo rond negen uur dat MGD-agent Haras Myttelbrach ontwaakte van een zoete droom. Het eerste wat hij zich afvroeg was waarom het bed van zijn partner, die naast hem in een tweede eenpersoonsbed sliep, leeg was. Het was de afspraak geweest dat Deon Hea zou volgen tot ze zelf weer terug naar het hotel ging. En als Hea actie zou ondernemen, zoals, bijvoorbeeld, de plaatselijke bender opzoeken, wat Deon en Haras dachten dat haar missie zou zijn, zou hij zelf ook in actie komen. Dat Deon er nog steeds niet was kon drie dingen betekenen. Één: Hea is nooit teruggekomen naar het hotel en zwerft nog steeds rond in Wystoka. Twee: Hea heeft gemerkt dat ze gevolgd werd en heeft Deon uitgeschakeld. Drie: Hea heeft de plaatselijke bender opgezocht en daar is iets misgegaan. Haras schatte de kans dat Hea niet naar huis was gekomen vrij klein. Wat voor reden zou ze hebben om de hele nacht op te blijven? Dus ging Haras ervanuit dat er wat met Deon was gebeurd. Hij gromde even.
"Die idioot!" mompelde hij even, voordat hij enkele kleren aan zijn lijf deed en de kamerdeur uitstapte om enkele seconden daarna met de trap naar beneden te gaan. Hij stevende af op de balie waar nog steeds dezelfde hotelbediende zat die ook met Hea en Remtald had staan praten en vroeg op rustige, zakelijke toon:

"Goedemorgen. Ik heb een vraag."

"Natuurlijk. Vraagt u maar," zei de hotelbediende beleefd.

"Ik ben de kamergenoot van de heer Deon Rextroat. Nu zou hij vannacht nog terugkomen, zoals wij hadden afgesproken, maar dat is niet gebeurd. Er zou misschien iets kunnen zijn gebeurd. Heeft hij misschien een boodschap achtergelaten?"

Haras schatte de kans klein, want waarom zou hij dan niet meteen naar boven zijn gerend en hemzelf ook even wakker hebben gemaakt. Maarja, soms gingen dingen niet zoals ze over het algemeen zouden gaan. In zijn vak als MGD-agent had Haras dat maar wat vaak meegemaakt.

"Het spijt mij, meneer," zei de hotelbediende beleefd, "maar de heer Rextroat is vannacht niet in het hotel geweest."

"Hmm," reageerde Haras bedenkelijk, "bedankt."

Hij liep weg van de balie en door de draaideur. Even overwoog de hotelbediende om Haras te vertellen dat er naar hem was geïnformeerd, maar bij nader inzien deed hij dat toch maar niet. Hij had namelijk informatie vrijgegeven en dat was niet volgens de regels van het hotel. Als de eigenaar ervan hoorde lag hij, na een stevige schop onder zijn kont, op de straatstenen. En daar had hij nou net geen zin in.


Buiten gekomen schoot hem voor het eerst deze morgen te binnen dat het niet meer regende, zoals de dag tevoren. De straatstenen waren niet eens meer vochtig, zoals ze altijd zijn, vlak na een regenbui. De felle zon boven aan de hemel had al het vocht al verdampt.

"Lekker weer," zei Haras tegen zichzelf. Hij stak één van zijn handen in zijn zak en haalde er een klein doosje sigaren uit vandaan. Je moet je bedenken dat er ten tijde van dit verhaal nog geen sigaretten waren. Tabak was te verkrijgen in de vorm van pijptabak of sigaren. En nu was Haras iemand die altijd wel te porren was voor een heerlijk sigaartje, vooral eentje van zijn favoriete merk "Yovomina". Nadat hij het bruine ding had aangestoken, goed inademde en toen het ding uit zijn mond haalde om een waas van blauwe rook uit te blazen, begon hij te lopen, met zijn handen in zijn zakken gestoken, alleen nu en dan zijn rechterhand eruit halend om een trek te nemen aan zijn sigaar. Het was lekker wandelweer en ondanks het feit dat er van alles kon gebeurd zijn met zijn collega Deon, was hij toch niet bepaald in een slecht humeur. Maar waar ging Haras eigenlijk naar toe? Dat werd snel duidelijk. Hij liep het beruchte paadje op, dat het dorp uit leidde, richting het huisje van de ongewilde bender. Hij vermoedde dat Deon daar was. Hij vond de deur op slot, deed twee stappen naar rechts en tuurde naar binnen door het raam. Zijn vermoedens werden bevestigd. Tegen de muur van de woonkamer zat een gebonden persoon die verdacht veel leek op zijn collega Deon. De ogen van Deon waren open en ze hadden zijn goede collega al ontdekt. Haras zwaaide even naar Deon, waarop Deon hem een vuil gezicht gaf. Haras glimlachte even plagend terug, maar vond het dan wel genoeg. De deur was dicht en, al moest het wel volgens protocol, Haras had geen zin om de deur open te forceren. In plaats daarvan haalde hij zijn rechterarm achteruit, boog hem naar achteren, zodat zijn elleboog naar de ruit wees, en stootte het lichaamsdeel met kracht tegen het glas aan. Het brak meteen. Glas regende naar buiten, maar vooral naar binnen. Haras klom naar binnen, liep naar Deon, keek even op hem neer en zei toen:
"Ik vind je er zo heel goed uit zien."

"Mmm-mmmmmm-mmmm! MMMM! MMMM!" probeerde Deon tevergeefs.

"Pardon, dat hoorde ik niet," zei Haras plagend, zijn oor naar Deon draaiend.

Nu klonk er alleen maar boos gegrom van Deon.

"Alright, alright. Ik maak je al los. Rustig aan, man."

Het eerste wat Haras deed was het stuk gordijn om Deon's hoofd losmaken. Zodra die los was, duwde Deon de prop in zijn mond eruit en begon aan een serie vloeken die ik hier maar liever niet neerschrijf.

"Sukkel! Idioot!" schold Deon zijn bevrijder uit, "je had al veel eerder wakker moeten zijn! Dan had je veel eerder gemerkt dat ik er niet zou zijn!"

"Oh, nee, dat is niet het geval. Ik werd pas ongerust rond negen uur en dus begon ik je hier te zoeken," loog Haras, terwijl hij bezig was met het losmaken van Deon's armen.

"LEUGENAAR!" schreeuwde Deon woedend, terwijl hij verwoed aan zijn boeien begon te trekken.

"Hé, nou moet je niet gaan trekken. Dan wordt het gelijk een stuk lastiger voor mij om je los te maken. Straks steek ik mezelf nog in m'n hart," zei Haras rustig.

"Dat zou je verdiende loon zijn! Als je maar niet denkt dat het me ook maar iets zou uitmaken!" zei Deon kwaad.

"Dat zou je wél uitmaken," zei Haras, zeer zelfverzekerd van die veronderstelling. Deon kneep zijn ogen iets dichter.

"En waarom dan wel niet?" vroeg Deon.

"Omdat je dan nog steeds vast zou zitten," zei Haras heel simpeltjes. Daar had Deon even geen antwoord op en totdat ze de deur van het huis uit waren, zei hij geen woord meer.

"Vertel me... wat is er precies gebeurd?" vroeg Haras toen ze de deur uit waren.

Deon zuchtte en legde kort uit wat er allemaal was gebeurd.

"Hmm," zei Haras, met zijn linkerhand over zijn kin wrijvend. Hij haalde zijn sigaar uit zijn mond en blies wat rook uit, voordat hij het voorwerp terugplaatste, "uiteindelijk zijn we maar weinig te weten gekomen."

"Ja," zei Deon, "enkel de naam van het nieuwe lid."

Ze liepen samen verder, niet meer pratend totdat ze het dorpje weer inliepen: Haras met een nieuwe sigaar en Deon met een norse blik. Ze wisten allebei waar ze naartoe moesten gaan: het hotel.

De hotelbediende keek verrast toen de twee mannen weer door de hoteldeuren stapten. Ze stevenden beiden af op de balie, terwijl ze even een blik met elkaar wisselden.

"Ik heb nog een vraag voor je," zei Haras meteen ter zake komend.

"Dat mag," zei de hotelbediende, ervan overtuigt dat deze nacht de raarste was van zijn leven. Eerst twee benders en nu dit vreemde duo. Deon legde het uit:

"Er heeft hier iemand gewoond op de naam van Caroline Temanicha. Of misschien Hea Yobun, nietwaar? Ze is vannacht vertrokken, maar waar naartoe weten wij niet. Heeft u enig idee waar naartoe?"

Daar kregen ze een onverwacht antwoord op... als het een antwoord te noemen was.

"Het spijt mij u mede te delen dat ik geen persoonlijke informatie mag vrijgeven, als ik het al wist."

"Wij zijn van de MGD. We hebben de informatie hard nodig!" voegde Deon er aan toe. Haras stond met zijn rug tegen de balie de lobby in te kijken.

"Al was u de koningin, dan had ik het nog niet gezegd," zei de hotelbediende standvastig. Hij had de fout al één keer gemaakt om informatie vrij te geven over een gast. Dat wilde hij niet nog een keer laten gebeuren. Intussen voelde Deon zich natuurlijk op zijn nummer gezet.

"Maar," begon hij, terwijl hij een pasje uit zijn binnenzak haalde en het aan de hotelbediende toonde, "als u ons niet gelooft, hier heb ik bewijs dat we van de MGD zijn!"

Hij had het ding bijna in het linkerneusgat van de hotelbediende geduwd en de hotelbediende duwde de hand weg, terwijl hij ietwat geïrriteerd naar Deon keek. Deon was zo bezig met de hotelbediende dat hij niet eens merkte hoe Haras opstond en naar de portier bij de uitgang liep. Intussen zei de hotelbediende:
"Waarde heer Rextroat, ik verzoek u om te stoppen te vragen naar de persoonlijke gegevens van onze gasten."

Deon gromde even gevaarlijk en hief zijn vuist op naar de hotelbediende. Toen schoot hem een laatste redmiddel te binnen. Hij deed een greep in zijn broekzak en haalde er een hand vol Yon, de geldeenheid van Magalia, uit. Haras kwam terug en ging weer met zijn rug tegen de balie staan.

"Als ik je betaal, wil je dan misschien wel vertellen wat je van Hea Yobun weet?"

Het geld veranderde de zaak. De hotelbediende knikte en twee tellen later was hij honderd Yon rijker.

"Wel? Wat weet je van Hea Yobun?" vroeg Deon.

"Niks."

Het was even stil. Deon's mond hing open van verbazing en begon te happen naar adem. Haras proestte en begon toen te schaterlachen, zo hard dat iedereen die op dat moment nog sliep ook meteen wakker was.

"W-W-Wat zeg je daar?! Je zei dat je me alles zou vertellen!" gilde Deon uit woede, terwijl Haras nog steeds hardop stond te lachen.

"Het spijt me, meneer Rextroat, maar alles dat ik u kan vertellen is dat ze vannacht hier is geweest met een andere jongen en dat ze later diezelfde nacht zijn vertrokken. Waarnaartoe is mij een vraag.

"Wel alle gloeiende glorietoeters! Oplichter! Geef me m'n geld terug!" gilde Deon, over de balie naar de hotelbediende reikend. Die deed echter twee veilige passen achteruit en riep iets naar de portier dat onverstaanbaar werd gemaakt door het gescheld van Deon. De portier scheen het echter te begrijpen en liep op Deon af, greep hem vast, tilde hem van zijn voeten en bracht hem, al tierend en schreeuwend, netjes naar buiten. Haras bleef nog even binnen en zei tegen de hotelbediende:

"Wij vertrekken zo. Zou ik onze spullen van boven mogen halen en voor een koets bellen?"

"Maar natuurlijk," zei de hotelbediende beleefd. De hotelbediende voegde daar zoet aan toe:

"Al was u dat niet van plan was geweest hadden wij u alsnog het hotel uitgebonjourd, maar dat doet er nu niet toe."

Haras lachte even, terwijl hij naar het trappenhuis liep.

En zo zaten, een half uur later, Haras en Deon in een koets die hen door het dorpje heen koerste.

"Waar gaan we naartoe?" vroeg Deon, nog steeds kwaad.

"Merritbrakken," was Haras' korte antwoord.

"Merritbrakken? Wat moeten we daar nu weer?"

"Omdat Italy daar ook naartoe gaat, beste Deon."

Deon zat even perplex. Hoe... hoe wist...

"Hoe weet jij dat?!" vroeg Deon verrast.

"Ik ben het aan de portier gaan vragen. Die heeft Italy en Kaichiru horen praten."

"Maar... dat betekent dat, toen ik die hotelbediende geld gaf, je allang al wist waar ze naartoe gingen."

"Heel correct," zei Haras rustig.

Deon zag er even uit of hij ter plekke ging ontploffen.

"Jij vuile...!" schold hij. Haras glimlachte zoet naar Deon, draaide zijn hoofd vervolgens naar het raam en begon het raam uit te staren. Intussen zat Deon de meeste vuile en verontwaardigste gezichten naar Haras te trekken die hij maar verzonnen kon. Uiteindelijk gaf hij ook dat op en ging uit het andere raam staren. Beiden vielen uiteindelijk in slaap. Het zou ongeveer anderhalve dag duren om per koets in Merritbrakken te komen. Een koets doet er namelijk net even iets langzamer over dan een paard, die er een dagreis over zou doen.