Tweestrijd (December 2004)

Een verlaten klaslokaal?

Nee. Iedereen is er nog, maar de leerlingen zijn wel druk bezig hun boeken in te pakken. Ongeduldig kijken verveelde gezichten verwachtingsvol naar de klok die boven de juffrouw hangt. De hele wereld heeft haast. Waarom zit ik vast en blijf ik steken?

Ze zit aan haar bureau proefwerken na te kijken. Waarschijnlijk derdeklasserswerk? In ieder geval laat ze haar rode pen erop los. Ik span me in, ik wil weten wat voor cijfers ze geeft. Maar ik zit te ver weg. Er zitten wel drie tafels tussen ons in; een afstand die voor mij niet goed voelt.

Ik observeer haar gezicht. Ze kijkt ongeduldig naar de proefwerken - waarschijnlijk slechte cijfers. De bel gaat, haar bruingroene ogen kijken even op en iedereen maakt aanstalten om het lokaal uit te rennen. De leerlingen groeten haar nog kort, en zij glimlacht terug, om daarna weer haar aandacht op de blaadjes te richten.

Ik heb geen vin verroerd. Zij ziet het niet, ze ziet niet dat bijna iedereen al weg is en dat ik hier zit, naar haar te kijken. Ik observeer haar iedere beweging; de manier waarop ze dingen neerkrabbelt op het blaadje, hoe haar ogen over de blaadjes heen glijden, hoe ze haar blonde loshangende plukken haar achter haar oren doet.

Ik tril nu helemaal en adem moeilijk. Heeft ze dan niks in de gaten? Dat ik nu voor haar zit, als enige met haar in het lokaal ben, dat ik iets tegen haar wil zeggen?

Wat wil ik zeggen? Ik weet niet hoe ik dat zou moeten doen, wat voor een indruk maak ik wel niet? Zeg het! Sukkel! Zeg het! Trut die je bent!

Onze blikken kruizen elkaar plotseling. Mijn hart begint te snel te kloppen in mijn borst.

Opeens sta ik naast haar. Ze kijkt op, ze ziet natuurlijk meteen dat er iets mis is, dat ik haar nodig heb. Ik kruip op haar schoot en zij slaat haar armen om mij heen. Mijn hoofd op haar borst, ik voel haar hart kloppen. Oh, wat wil ik dit toch graag; huilen met háár armen om mij heen…

"Het komt allemaal goed," fluistert ze in mijn oor…

Tik, tik, de klok boven haar tikt maar door. Ik zit nog steeds in het midden van het klaslokaal en haar blik is weer gericht op de blaadjes. Ik verlang naar haar aandacht.

"Ik vind je erg bijzonder," had ze tegen me gezegd, "Jij bent slim, intelligent, je bent je leeftijd vooruit." Haar stem klinkt nog steeds na in mijn oren, al is het meer dan twee maanden geleden dat we samen op een bankje in het park zaten.

Ik was haar toevallig tegen gekomen, dat was op het moment dat ik weer in een zware depressie zat. Net toen ik haar zag, was ik in elkaar gestort op dat bankje. Ik had mijn diskman opgezet. In mijn oren klonk een passend nummer voor mijn gemoedstoestand; Evanescense – bring me to life.

Het was nogal een kaal bankje, het miste het achterste plankje en de prullenbak naast het bankje was half vernield; er zat een groot uitgebrand gat in het plastic. Het was net een donker hol; een hol dat mij schreeuwend aankeek. Ik keek terug in dat lege donkere hol van de prullenbak, en even was het alsof ik keek in mijzelf. Terwijl Amy van Evanescense zong over haar eigen lege levenloze geest, voelde ik het laatste restje leven in mij langzaam wegrotten.

Het was een schreeuw naar haar toe – een schreeuw die zij opving, het leek wel telepathie. Maar hoe kon zij weten wat ik voelde? Wat er zich achter mijn masker bevond? Oké, ik moet haar niet heilig maken, ze heeft niet zoveel gedaan dan vijf minuten naast me te zitten. Maar ze praatte met mij, vol interesse. Ik wist dat ik haar alles kon vertellen; dat ik me voor haar niet hoefde te schamen.

Ze bekeek mijn polsen, waarom die littekens? Ik ben een zwakkeling – had ik geantwoord, ik was niet doorgegaan, ik durfde niet. Ik had er een einde aan kunnen maken, maar daar was ik te stom voor. Daar moet ik nu voor boeten.

Haar blik zou ik nooit kunnen vergeten.

Wat ik allemaal wel niet heb geprobeerd? Nou, ik heb gefaald. Ik durfde op het laatste moment niet voor de trein te springen.

Mijn juf keek me aan met een bezorgde blik. Nee, ik was volgens haar geen stommeling, ik had er goed aan gedaan om dat niet te doen. Ik moest haar beloven mezelf niet te laten boeten. Ik vertelde haar dat ik dat niet in de hand had. Dat als ik haar nu iets zou beloven, dat ik me nog meer kut zou voelen omdat ik die belofte niet na zou kunnen komen. Ze begreep me gelukkig, zij is de enige die mij begrijpt… Ik liet haar beloven om het niet door te vertellen. Ze wilde dat ik hulp ging zoeken, maar dat wilde ik weer niet. Ik haat ze, hulpverleners.

Nu ze hier tegenover me zit, voel ik me ongemakkelijk. Ze ziet me nog steeds niet, maar misschien ben ik wel te onbelangrijk. Nu twijfel ik al helemaal – doe ik er wel goed aan om haar te vertellen wat ik voor haar voel?

Ik wil zo graag dat ze me ziet, dat ze me weer het gevoel geeft dat ik bijzonder ben, want zij is de enige die dat kan.

Natuurlijk weet ik dat ze me zal afwijzen, ik ben heus niet dom, ik weet dat ze niet valt op meisjes van vijftien. Ik weet niet eens of ze wel van vrouwen houdt. En wat mijn leeftijd betreft; dat zou ze pedofilie vinden, zonder twijfel. Daar is ze vast te principieel voor.

Maar als ze wist dat ik er aan onderdoor zou kunnen gaan, wat zou ze dan doen? Zou ze genoeg van me houden?

Ik vertel het haar – ze wijst me af, maar probeert wel lief te zijn. Natuurlijk, dat zou ze doen. De volgende dag krijgt ze van de schoolleiding te horen dat er een meisje niet meer in haar les kan komen omdat ze… Omdat ze dood is…

Ik zou haar gezicht dan wel willen zien; een gezicht vol spijt dat vraagt: 'Wat heb ik gedaan?' Ik wil haar zien rouwen, vol schuldgevoel, om mij.

Wat een gemeen kreng ben ik eigenlijk.

Ik maak het mezelf erg moeilijk. Misschien zou ik een afwijzing niet aankunnen, dat weet ik haast wel zeker, ik ben zo ontstabiel als de pest. Dus moet ik mezelf dat leed besparen en het haar niet vertellen. Dan hoeft zij zich geen zorgen te maken over mij.

Maar doet ze dat dan wel, eigenlijk?

Ik wil weten of er, ondanks het feit dat ze me misschien niet wil om mijn leeftijd (als ze al van vrouwen houdt) er toch iets is. Of ze toch iets voelt.

Wat ik eigenlijk wil is: bij haar zijn. Ik verlang zo naar haar.

Wat ik eigenlijk wil is:… Dat die klok ophoudt met tikken. Het is irritant.

Nu kijkt ze op. Ze heeft de stapel nagekeken en ziet mij hier zitten. Ze glimlacht even.

"Zit je er nog?" vraagt ze verbaasd. "Wil je geen pauze houden?"

"Nou," zeg ik, maar kom niet verder. Shit! Wat moet ik zeggen? Vertel het, sukkel! Vertel het! Stomme trut!

"Ik," begin ik hakkelend. Ze kijkt me lief en verwachtingsvol aan. Oh, ze is zo mooi, wat moet ik doen?

"Ik vroeg me af wat mijn cijfer is van mijn tentamen…" stotter ik.

"Oh, had ik dat dan nog niet gezegd? Je hebt een negen. Goed hoor," zegt ze terwijl ze haar tas inpakt. Ik pak mijn tas ook maar. We lopen samen het klaslokaal uit. Ik ga naar de centrale hal en zij gaat naar de lerarenkamer.

"Tot morgen!" zegt ze.

"Doei!" zeg ik.

Een beetje verdwaast loop ik verder. Dan bedenk ik me opeens: Goh, een negen, heb ik dat even mooi voor elkaar gekregen!