Herinnering aan Johanna (april 2005)

De klokken van de kerk slaan. Ze klinken dof, naar mijn inzien, maar het is een o zo bekend geluid. Dit is het geluid van mijn leven, van mijn jeugd.

"Gaat het nog, ouwe?" vraagt de jonge vreemdeling naast me. Hij brengt zijn handen naar zijn mond en blaast zijn warme adem erover terwijl hij ze gefrustreerd tegen elkaar wrijft. Terwijl ik hem al een paar dagen ken, blijft hij een vreemdeling voor me. Zijn naam heeft hij me vast al tig keer verteld, maar mijn geheugen is niet meer zoals het geweest is.

"Joawah," antwoord ik.

We staan tegenover het kerkje in een klein dorpje. Het is een uur 's middags, maar het is nog steeds behoorlijk koud. De mensen binnen de kerk beginnen nu speciale psalmen te zingen. Het is ook een speciale mis, het is namelijk de kerstmis.

"Het zal vast wel warmer zijn binnen, denk je niet?" vraagt de vreemdeling. Ik knik, maar zeg er gelijk bij dat ik niet echt zin heb om naar binnen te gaan. Maar hij antwoord:

"We staan hier al een half uur en me vingers vriezen van me poten. Maar voor jou heb ik alles over, ouwe. Dus blijf net zo lang staan als je wilt. We hebben alle tijd."

Staan we nog maar zo kort op dit kerkpleintje? Het lijkt al een eeuwigheid, maar tegenwoordig lijkt alles mij een eeuwigheid. Ik kijk weer opzij en zie dat de jongeman een sigaret heeft aangestoken en die nu met grote teugen aan het inhaleren is.

"Vertel eens, waarom is dit kerkje zo belangrijk voor u?" vraagt de snotneus. Maar ik weet niet zeker of ik dat wel wil vertellen. Waarom steekt hij zijn neus niet in zijn eigen zaken? Maar ik heb het gevoel dat ik het hem schuldig ben om het hem te vertellen. Hij heeft mij hier niet voor niets mee naartoe genomen. Hoe zat dat ook al weer? Oh ja, ik weet het weer.

Hij stond op een gegeven moment voor de deur van mijn kamer in het bejaardentehuis. Gewoon, zomaar ineens.

"Hoe gaat het, ouwe?" vroeg hij me. Of zoiets. Ik weet het niet precies meer. Maar ik weet wel dat ik stomverbaasd was over het feit dat ik nu zo ineens een bezoeker kreeg. Op de begrafenis van mijn zoon wist bijna niemand wie ik was. Misschien wilde ik ook niet dat ze dat wisten. Ik ken niemand nu. Er waren wel een paar mensen langs geweest, die mij kwamen condoleren voor het verlies van mijn zoon. Dat was een week geleden. Mijn zoon is nu al anderhalve week dood. Ik kende hen niet; de vrienden van mijn zoon. En ik kende hém niet. Ik heb hem nooit gekend. Zelfs niet toen hij nog tot zijn eenentwintigste bij ons in huis woonde. Hij en ik waren totale vreemdelingen. De jaren daarna kwam hij ons nog wel eens opzoeken, maar mijn vrouw, Greet, en ik wisten dat hij dat alleen deed uit plicht. Toen Greet overleed aan een hersenbloeding, was mijn zoon voor het eerst in jaren weer eens langs geweest, een paar dagen daarna. Om de ouwe wat gezelschap te houden. We deden een potje rumicub. Een 'oude venten spel' noemde hij dat, maar speelde het toch met mij mee.

Greet stierf zeven jaar geleden. Dit was de laatste avond dat mijn zoon alleen met mij doorbracht. Hij had zichzelf daarna niet vaak meer laten zien. Alleen op mijn verjaardag kwam hij dan wel eens langs, met zijn vrouw en haar zusters. Van de laatste jaren herinner ik me ook niet veel meer. Het zijn de oudste herinneringen die nu de hele tijd door mij heen gaan. Ik heb niet veel bezoek gehad, de afgelopen jaren.

Maar nu stond de vreemdeling dus grijnzend voor me, met een bosje bloemen in zijn hand. Hij bekeek mijn schilderijtjes aan de muur.

"Prachtig, ouwe!" riep hij enthousiast. "Maar waarom schildert u steeds opnieuw hetzelfde kerkje?" vroeg hij me. Maar ik gaf geen antwoord, het ging die snotneus niets aan.

Ik stuurde hem weg, maar de volgende dag stond hij gewoon weer voor mijn deur.

"Hoe vaak bent u al de deur eens uit geweest, de laatste tijd?" vroeg hij me. Toen moest ik even goed nadenken, want dat was al weer een tijd geleden. Een hele tijd geleden, behalve de begrafenis van mijn zoon, natuurlijk. Ik heb de laatste tijd ook niet zoveel mensen gezien, behalve mijn verzorgers en het schoonmaakhulpje.

"Het is bijna kerstmis," zei de vreemdeling, "en als u wilt, wil ik u, omdat het bijna kerstmis is en u helemaal alleen bent, wel ergens mee naartoe nemen. Waar dan ook, ouwe. Waar u ook heen wilt."

Ik was diep geraakt. Wie had dat ooit gedacht, dat het oude verschrompelde hart van deze oude vent nog wat voelde? En wie had ooit gedacht dat het iemand wat kon schelen?

"Waar wilt u dan heen, oude eenzame man?" Ondanks het feit dat hij me naampjes gaf, sloot ik mijn ogen en dacht diep na over waar ik heen wilde gaan. Naar exotische plekken? Spannende plekken? Maar dat kan mijn hart niet aan. Nee, ik wil terug naar mijn jeugd. Naar de tijd dat mijn leven nog zin had. Toen ik nog een doel voor ogen had… Dat ik leefde om het leven en niet leefde om die uit te zitten en weg te rotten tot in den eeuwigheid en ga zo maar door. Toen ik nog een jonge man was, net zoals deze vreemdeling hier, hevig verliefd op Johanna…

"Ik stond hier. Ja, hier, op deze plek, voor het kerkje. Ze kwam uit de kerk. Ze had een mooi wit zondagsjurkje aan. Ik wachtte op haar, op haar antwoord.

Toen ze voor me stond, zag ik hoe mooi ze was, voor de zoveelste keer. Ze had blosjes op haar wangen en haar bruine lokken waren opgestoken en vastgezet met spelden.

Maar ik wist al heel lang wat haar antwoord zou zijn. Maar ik moest het tóch horen. Om het idee uit mijn hoofd te krijgen. Dat het mogelijk zou zijn. Dat het zou kunnen. Maar het kon niet, nee, werkelijk niet. En ik wist het toen ik haar gezicht zag. Vol tranen keek ze me aan, op die frisse zondagochtend. Ik wist het nu zeker, ik hoefde het nooit te horen. Ik wilde het niet horen. Maar ik moest het van mezelf horen. En terwijl haar lippen zich bewogen en haar stem voor mij vreemde klanken uitstootten, wist ik het.

Voor mij zou zij altijd onbereikbaar blijven." Ik merk dat ik ben begonnen met praten. De jongeman kijkt me geïnteresseerd aan, en gebaart dat ik verder moet praten, terwijl hij weer een sigaret opsteekt. Ik wacht even tot hij klaar is en vervolg dan mijn verhaal.

"Johanna was de dochter van de dominee. Haar taak was om te trouwen met een jongen van een wat hogere stand. Dat was zowat iedereen, behalve ik. En ze mocht best verliefd zijn, jazeker, maar níet op míj.

"Op een nacht kwam ze naar me toe. Ze nam me mee naar dit pleintje. Er was helemaal niemand. We renden en speelden, je weet wel, datgene dat jonge mensen nog wel eens doen. Plotseling kuste ze me. Ik kuste haar terug en we begonnen elkaar overal te strelen. Ze trok me mee de kerk in en we gingen… eh, in ieder geval was het je reinste godslastering. Maar we hadden het ongeluk om betrapt te worden, door niemand minder dan de dominee zelf. Een paar weken later was ze weg. Zomaar ineens was ze spoorloos verdwenen. Niemand wist waar ze was. De dominee en zijn vrouw vertelden mij hatelijk dat het beter voor haar was niet meer in dit dorp te wonen, en dat ze was gaan wonen bij de neef van de dominee." Ik zucht en stop met praten, en ik wordt gewaar van de kou die nu ook in mijn vingers begint te snijden. Maar ik ben nog niet klaar om te gaan. Nee.

De jongeman heeft nu al zijn derde sigaret aangestoken en geniet er in volle teugen van. Hij kijkt me vragend aan en ik begin weer met vertellen.

"De jaren daarna werd ik steeds vromer. Ik deed erg mijn best om Johanna te vergeten, maar het was me nooit helemaal gelukt. Ik ging nu echt elke zondag naar de kerk, naar dezelfde dominee die mij zo haatte, misschien deed ik het vooral om mijzelf te pesten. Ik haatte mezelf. Twee zomers later ontmoette ik Greet. Magreta, zo heette ze eigenlijk, had nogal last van een temper. Iedereen was nogal bang voor haar, en toen ze mij ten huwelijk vroeg, wat eigenlijk nogal ongebruikelijk is, horen mánnen het meisje niet ten huwelijk te vragen? Enfin, ik was zo bang voor haar dat ik geen 'nee' durfde te zeggen.

"Ik moet zeggen dat het niet echt een ongelukkig huwelijk was. Greet en ik bleken, met onze pessimistische kijk op het leven, zeer bij elkaar te passen. Maar toen we een baby kregen, was zíj de enige die het leuk vond. Ik wilde het eigenlijk niet…"

"Waarom niet?" vraagt de jongeman me.

"Ik geloof… Ik denk dat ik bang was om me aan de baby te binden. Dat klinkt misschien wel wat gek." Ik zucht. Maar de vreemdeling schudt zijn hoofd.

"Helemaal niet, ouwe. Helemaal niet…"

"De baby werd ook hier gedoopt. In dit kerkje. Greet hield ontroerd mijn hand vast, maar ik voelde niets. Ik probeerde niets te voelen voor dat roze kronkelende dingetje.

"Ik voelde me alleen, ondanks dat ik Greet en de baby had, een goede boerderij, genoeg geld had en een dak boven mijn hoofd. Ja, wat had ik te klagen? Maar gelukkig kon ik niet worden. Ik dacht dat ik Johanna nooit meer te zien zou krijgen. En dat heb ik ook niet meer, maar dat was deels ook mijn eigen schuld…" Mijn adem stokt en ik voel een zwelling in mijn keel. Misschien moet ik ook maar stoppen met praten. Dit gaat die donder toch geen snars aan.

Maar hij kijkt me indringend aan.

"Je had nog een kans gekregen, hè ouwe. Een kans die je had laten schieten…" Het is hierna even stil, terwijl ik me afvraag of het zo duidelijk is. Zie ik eruit als iemand die te veel kansen heeft laten schieten? Ja, misschien wel.

"Ik kreeg op een gegeven moment een brief van Johanna. Ze woonde in Frankfurt en had daar een eigen leventje opgebouwd. Ze vroeg me of ik naar haar toe wilde komen, want ze miste me. En… Ze had een kindje. Die was van mij. Dat was namelijk de reden dat ze was weggestuurd. Ze was zwanger van mij… Dat ik, twéé kinderen had, was moeilijk te geloven.

Ik ging meteen naar het kerkje en bad voor haar. Maar ik ging niet naar haar toe. Ik was te bang. Te bang om weer verliefd te worden, van haar te houden, van de baby te houden. Ik was te bang om weer gekwetst te worden. Hier, op deze boerderij, had ik tenminste zekerheid. Ik had een gezin. Ik kon hen ook niet zomaar in de steek laten." Mijn stem stokt alweer. Ik had er toch goed aan gedaan? Of niet? Had ik deze enige kans niet moeten laten schieten?

"Johanna heeft me daarna nooit meer geschreven. Misschien had ik met het weigeren alles voorgoed kapot gemaakt. Maar ik ging door met mijn leven. Mijn vrouw voedde ons kind op, daar deed ik niet zoveel aan. Ik was voornamelijk de harde werker. Ik was diegene die er elke dag voor zorgde dat er brood op de plank lag. Toch hebben ze het me kwalijk genomen, dat ik nauwelijks tijd aan mijn zoon besteedde, behalve als er klappen vielen. Zodra het jong eenentwintig was ging hij de deur uit, bezocht ons alleen plichtmatig. Mijn vrouw en ik praatten niet veel meer. Op haar sterfbed vertelde ze me dat ze altijd van een ander gehouden had. Dat kwam ze het laatste moment nog even snel opbiechten. Ik verklaarde dat het idem-dito was, maar dat ik aan haar zou blijven denken. Toen ze dood was en ik alleen was, was het nauwelijks eenzamer in huis. Ik besefte dat ik mijn hele leven gewoon al eenzaam ben geweest." Mijn stem begint te stotteren. De jongeman legt zijn hand op mijn schouder. Waarom lucht ik mijn hart eigenlijk bij een totale vreemdeling? Wie is hij eigenlijk?

"Gaat het nog, ouwe?" vraagt hij, vol medelijden. Medelijden, eigenlijk is dat een vuil woord. Ik weet niet of ik het fijn vind als iemand medelijden met mij heeft. Dat staat zo aanstellerig. Maar ik voel de tranen in mijn ogen opwellen.

"De laatste keer dat ik hier stond, op dit pleintje, overpeinsde ik mijn bestaan. Ik voelde me zo nutteloos. Mijn vrouw was net dood gegaan en ik hoopte dat ik snel zou volgen. Maar dat is niet gebeurd. In plaats daarvan is het mijn zoon. Mijn zoon! Het is niet eerlijk. Waarom heb ik al die moeite voor hem gedaan als hij toch eerder heengaat dan ik? Nu is er niemand meer over. Ik ben helemaal alleen! Ik ben tachtig, nu. Ik weet niet hoe lang het nog zal duren voordat ik ben weggerot in dat bejaardentehuis. En er is niemand die het nog wat kan schelen!" De jongeman knijpt in mijn schouder, terwijl ik de tranen hevig probeer te onderdrukken.

"Je bent niet alleen, ouwe. Hebt u zich nooit afgevraagd hoe het met uw andere zoon is?" vraagt de jongeman. Ik kijk op. Hij vervolgt:

"Johanna is er niet meer, maar uw zoon bezit een bedrijfje in Frankfurt. En ikzelf ben zíjn zoon, en ik woon in Amsterdam. Ik ben een schrijver," vertelt de vreemdeling. Het is een paar minuten stil, totdat het volledig tot mij is doorgedrongen.

"Ben… Ben jij mijn kleinzoon? Hoe… Hoe heet je ook al weer?" stotter ik.

"Dat heb ik toch al gezegd, opa? Ik heet Johan. En ik heb geen zin meer om hier nog langer te staan, ouwe. Het wordt me te koud…" Hij pakt mijn rolstoel en rolt me het kerkje in. Ik ben niet meer in staat te protesteren…