Tijdgodin – Tamar Bannink

Tijdgodin

Mijn Oma's tijd

Met uitgestrekte arm wachtte mijn oma. Ze hield me een ijsje voor en wachtte tot ik het aannam.

En ze wachtte.

'Lieverd,' begon mijn oma, 'hier is je ijsje!'

'Dat weet ik, oma,' antwoordde ik.

Mijn oma keek me verwachtingsvol aan, een moment dat eeuwig duurde. In slowmotion zag ik hoe ze haar lippen iets optrok, hoe haar brilletje een millimeter verder van haar neus gleed. De wind speelde heel langzaam met haar haar, de uitgestrekte arm met het ijsje trilde bijna onmerkbaar en ik volgde met mijn ogen hoe het eerste druppeltje langzaam op de grond viel.

'Wat is dan het probleem?'

Mijn oma bracht de tijd weer in zijn normale gang. Ik antwoordde niet, maar keek rond hoe kinderen om mij heen aan het spelen waren. De meeste hadden ijsjes in hun hand en likten er gulzig aan. Het park was niet groot, maar er hingen wel veel klokken. Mijn blik bleef rusten op de dichtstbijzijnde klok.

'Het is te laat,' zei ik.

'Te laat? Het is pas drie uur!' stamelde mijn oma.

'Ik ben acht,' zei ik resoluut.

'Dat weet ik, Mirte. Neem je het ijsje nog aan of niet? Ik ben geen uithangbord.'

'Alle kinderen kregen hun eerste ijsje allang van hun oma.'

'Als je het ijsje niet wil, dan gooi ik het wel weg,' zei oma boos.

'Ik kan geen ijsje van jou meer krijgen, want ik heb niet op tijd mijn eerste ijsje gehad…' mompelde ik.

'Nou, dat scheelt me weer een hoop geld,' constateerde oma bitter.

'Alle andere kinderen waren vier of zo.'

'Wil je dit ijsje nog of niet?' vroeg oma heel streng.

'Het kan niet, het is onmogelijk,' kreunde ik.

'Wat je wilt,' zei oma en liep naar de prullenbak. Ze keek me vragend aan. Ik gaf geen sjoege. Met een smak viel het ijsje in de prullenbak. Traantjes hoopten zich op in mijn ogen.

Even later liepen we naar huis, vroeger dan de bedoeling was. Oma zei geen woord. Ik keek naar de kinderen die van hun ijsjes genoten en vroeg me af waarom het zo oneerlijk moest zijn. Waarom kregen zij hun eerste ijsje van hun oma eerder dan ik?

Antieke klokken

Drie jaar later besloot ik antieke klokken te gaan verzamelen. Papa was het er niet mee eens. Hij at zijn ontbijt sneller dan normaal terwijl mama me streng aankeek vanuit de andere kant van de tafel.

'Waar ga je het geld vandaan halen?' vroeg hij.

'Van mijn zakgeld,' antwoordde ik.

'Jij krijgt maar vijf gulden per week,' wees papa me terecht.

Ik keek naar de klok die in de keuken hing. Het was een nieuwe goedkope klok, gekocht bij de blokker.

'Maar we hebben te weinig klokken!' zeurde ik.

'Jij hebt er genoeg,' zei mijn vader. 'Jij hebt zelfs vier horloges!'

'Zoveel is dat niet,' mopperde ik, terwijl ik verontwaardigd naar de vier horloges om mijn pols keek.

Mijn moeder keek mij aan en had de hele tijd nog niets gegeten.

Er volgde een ongemakkelijke stilte. Na een poosje zei ik:

'Ik denk dat een antieke klok mooi staat in de keuken.'

'Jij bent elf,' fluisterde mijn moeder. Dit keer zei mijn vader niets. Ik vond het allemaal niet eerlijk. Iedereen verzamelde wat. Mijn beste vriendje, Tim, verzamelde flippo's, dan mocht ik toch wel antieke klokken verzamelen?

Mijn Vergankelijkheid

De oude man van de boekenwinkel keek me verbaasd aan.

'Je hebt dat dikke geschiedenisboek nu al uit?'

'Ja, meneer! Heeft u meer?' vroeg ik gretig.

'Maar, je hebt alle algemene geschiedenisboeken die ik heb al gelezen!'

'Oh,' antwoordde ik teleurgesteld.

'Hoe oud was je ook al weer?' vroeg de oude man, nog steeds verbaasd.

'Twaalf, meneer,' antwoordde ik. Hij keek me lang aan.

Ik liet mijn blik gaan door het kleine boekenwinkeltje. Rijen boeken stonden er. De oude hond op het kleedje in de hoek keek me zwakjes aan. Hij zag er zielig uit. Ik liep naar hem toe, bukte en aaide hem door zijn ruwe vacht.

'Rufus is aan het eind van zijn Latijn. Ik laat hem volgende week inslapen,' zei de oude man zachtjes.

'Maar waarom…' vroeg ik.

'Omdat hij ongeneeslijk ziek is. Omdat de rest van zijn leven een lijdensweg zal zijn. Ik wil hem dat besparen.'

Er viel een stilte, zo donker en ontastbaar als de nacht. Mijn hersens maalden. Ik kon er niet bij. Het voelde zo vreemd. Het idee van oud worden, lijden om daarna dood te gaan.

Nee, ik vond het niet eerlijk. Waarom worden we oud en gaan we dood? Waarom ga ík dood?

En toen voelde ik het dichterbij komen; mijn vergankelijkheid. De oude, zieke hond besmette me er mee. Ik voelde paniek opborrelen en stond abrupt op. Ik zei de oude man gedag en vluchtte de winkel uit.

De doodse winter

'Ik hou niet van de winter,' klaagde ik, terwijl mijn beste vriend, Tim, en ik op een ochtend rillend naar school liepen. Onze voeten zakten diep weg in de sneeuw.

'Nee, dit is geen doen,' zei hij. We liepen zwijgend verder. Het was nog donker, af en toe was er een straatlantaarn om onze weg te verlichten. Donkere, kale bomen staken koud af tegen de donkerblauwe lucht.

Onheilspellend, die doodse stilte, die doodse kleuren, die doodse kou, die doodse bomen. Alles was dood om mij heen. Ik voelde me aardig dichtbij de dood.

'Ach, binnenkort is het lente, en dan vier ik heel blij mijn veertiende verjaardag,' meldde Tim op een gegeven moment. Ik voelde me weer een beetje opklaren.

'Begin maar vast met aftellen, optimist!' riep ik en gaf hem een duwtje.

Hoe ik de dood uitnodigde

Ik was vijftien, toen de tijd mij in de maling nam.

Het was zomer, ik zat rustig in mijn dagboek te schrijven, iets dat ik elke dag deed. Voor het geval dat mij ooit iets mocht overkomen, zou geen enkele dag verloren zijn. Ik had net flink gesmoked, ik was aardig stoned en beschreef mijn wonderlijke avontuur. Naast mij bromde een bromvlieg. In het begin probeerde ik het te negeren, maar het werd steeds moeilijker. Ik klapte geïrriteerd mijn dagboek dicht en keek naar het insect dat mijn rust verstoorde. Hysterisch probeerde het een uitweg te vinden uit mijn kamer, en botste steeds tegen het dichte raam op. Ik stond op, liep naar een van mijn kasten en haalde triomfantelijk een vliegenmepper tevoorschijn. De schaduw des doods hing boven het hoofd van de vlieg, maar die had geen notie, het ging maar jammerlijk door met brommen.

Wat was het toch een zielige vertoning. Weer zo'n ziel dat door het lot gegrepen werd. Het ene moment nog brommend tegen het raam, het andere moment zou het dood op de vensterbank liggen. En om geen van deze dingen had de vlieg gevraagd. Nee, het had het zelfs niet in de gaten.

Mijn vliegenmepper suisde genadeloos door de lucht. In een fractie van een seconde zou de vlieg dood zijn.

En toen gebeurde het.

Mijn vliegenmepper stond bijna stil. Volledig van vaart veranderd onderging ging ik een enorme schok. Ik had geen gevoel meer in mijn lichaam, alleen een botte kou ging door mij heen. Ik kon niks meer bewegen, zelfs mijn ogen keken niet in de richtingen waar ik ze heen stuurden. De vlieg hing stil in de lucht. Voelde hij wat ik voelde, of lag zijn bewustzijn nog in de normale tijd?

Ik was vaak getuige geweest van de tijd, die van tijd tot tijd wat langzamer of sneller ging. Maar vaak was ik toeschouwer. Nog nooit had ik op deze manier de tijd ondergaan. Alleen mijn 'ik', mijn denken lag buiten de tijd, maar niet mijn lichaam. Heel langzaam zag ik mijn vliegenmepper naar de vlieg toe komen, heel langzaam zag ik de vlieg van koers veranderen. Hoe hard ik probeerde, ik kon mijn arm niet overtuigen om sneller te bewegen. Ik gaf het op. Maar ook dat kon niet. Ik kon ook niet ophouden met slaan. Ik keek toe hoe de vlieg heel langzaam verpletterd werd onder mijn vliegenmepper. Het sterven van de vlieg duurde voor mij een eeuwigheid en voor de vlieg misschien een millennium. Ik zag de dood zijn intrede doen en het heeft me nooit meer losgelaten.

Plotseling werd de tijd weer normaal; de vlieg viel dood op de vensterbank en ik zakte snikkend in elkaar. Verdrietig aanvaardde ik mijn gave.

De tijd en de maan

Een jaar later stond ik bovenop een duintop. Het was nacht en de volle maan scheen helder aan de hemel. Ik stond in een cirkel van vijf kaarsen die ondertussen al waren uitgeblazen door de wind. Stom, dat had ik kunnen weten. Ik knielde en begon te neuriën. Ik nodigde in al de windrichtingen de elementen uit en voelde me vervuld met hun kracht en energie. Met mijn athame, ritueel mes, trok ik in de lucht een pentakel.

'Heer van de tijd! Ik nodig u uit om in mijn cirkel te komen!' riep ik. Lange tijd gebeurde er niets. Het enige wat ik hoorde was het gieren was de wind.

'Heer van de tijd, ik roep u op!' riep ik, nogmaals. Alweer niets. Het enige wat er gebeurde was dat er even een grote rode vogel kwam overvliegen. Ik zuchtte. Misschien bestond er wel helemaal geen tijdgod.

'Heer van de tijd, ik wil weten of ik een gave heb! Waarom ik als enige zie dat de tijd soms sneller, en soms langzamer gaat. Kunt u mij een teken geven, als het waar is dat u bestaat?'

Terstond begon de grond onder mij zachtjes te trillen. Ik keek naar beneden en ontdekte dat ik de grond niet goed meer kon zien. Ik kon geen gras meer van zand onderscheiden, zo snel bewoog alles. Ook besefte ik plotseling dat ik overal op mijn lichaam steken voelde. Natuurlijk, dat was de wind die met ongekende snelheid tegen mijn lichaam opbotste. Het was een wonder dat ik niet viel, maar in plaats daarvan voelde ik aan als een rots. Ik keek omhoog en schrok. Op een tempo die ik de maan nog nooit had zien maken, bewoog hij in een boog om mij heen. Het was een indrukwekkend en tegelijk een angstaanjagend gezicht. Ik moest zijn flauwgevallen, want ik werd wakker toen de zon hoog aan de hemel stond.

De dood van mijn oma

Mijn oma was in 1930 geboren, in een mooi boerderijtje met daar in de buurt een prachtig kerkhof, waar ze stiekem vroeger met haar broers heenging om te spelen.

Nu speelde ze niet, nu lag ze in haar doodskist in hetzelfde kerkhofje, terwijl ze haar het graf in lieten zakken. De dominee prevelde woorden die ik niet meer verstond en mijn ogen waren vertroebelt door mijn tranen. Ik gooide een bosje witte bloemen in het graf. Ze had er mooi uitgezien, tijdens de opbaring. Ze leek net op een prinses in dat witte jurkje, haar gezicht vrijwel rimpelloos. Tijdloos. Alle Goden, wat was de dood toch een naar iets.

De nachtmerrie – klok

Ik was zeventien toen ik badend in het zweet wakker werd van een nachtmerrie. In nachtmerrie had ik een enorme klok gezien, die naar mij keek. Niet dat het ding ogen had, maar ik voelde gewoon dat hij me zag. Eerst draaiden de wijzers nog op een normaal tempo, maar op een moment begonnen ze sneller te draaien. Steeds sneller en sneller. Steeds dreigender werd de klok. Op een gegeven moment draaiden de wijzers zo snel, dat ze door de snelheid van de klok af slingerden en al draaiend mijn richting opkwamen…

Die volgende ochtend liep ik de keuken in, waar mijn moeder het ontbijt aan het maken was, en keek naar de klok. De wijzers stopten met draaien zodra ik er naar keek.

'Wat is er aan de hand met die klok?' vroeg mijn moeder, die het ook had gezien. Ik gaf geen antwoord en liep naar mijn kamer. Ik keek naar mijn klokkenverzameling. Eén voor een stopte ze met tikken.

Even later laaide er een groot vuur op in de tuin, waarin ik alle klokken gooide, tot aan de laatste horloges aan toe.

De les van de Feniks

Het was midden in de nacht. Ik stond weer op de heuveltop, ik had niet eens de moeite genomen om kaarsen mee te brengen. Ik nodigde alle windrichtingen uit en mijn athame zwaaide gevaarlijk door de lucht.

'Tijdgod, ik waarschuw je! Speel geen spelletjes met mij!' siste ik. 'Dat was een leuk trucje, dat met die klokken! Maar wat moet je van me?'

'De vraag is, Mirte,' klonk een stem, vrouwelijk noch mannelijk. 'Wat wil jij?'

Ik schrok. Mijn hart klopte in mijn keel.

'Dat weet ik niet,' antwoordde ik zachtjes.

'Je liegt,' zei de stem.

Uit het niets verscheen een grote rode vogel. Hij ging zitten op mijn uitgestoken hand met de athame. Onze gezichten raakten elkaar bijna aan. Ik liet de athame vallen. Ik kon zien dat het een oude vogel was, dat hij niet lang meer te leven had. Ik trilde van top tot teen.

'Ik zou graag willen, o vogel, dat ik voor eeuwig mocht leven.'

De vogel keek mij lang aan.

'Dat kan niet, Mirte. Niemand kan voor eeuwig blijven leven in dezelfde vorm,' sprak hij.

'Ook ik moet dood gaan.'

'Wanneer ga jij dood? Betekend dat dan het einde der tijden?' vroeg ik, teleurgesteld.

'Nee hoor,' antwoordde de vogel. 'Ik ga nu dood.'

'Wat?' schrok ik. Zodra ik dat gezegd had, vatte de vogel vlam. Hij zat nog steeds op mijn arm. Het vuur schroeide mijn huid, maar ik kon hem niet loslaten. Na een paar seconden was er niets meer van hem over, alleen een dikke laag as, dat de wind wegblies uit mijn hand. Ik merkte dat ik huilde. En toen zag ik het: in mijn handpalm lag een klein eitje, en toen ik beter keek, zag ik een klein vogelkopje zich uit de schaal pikken. Beschermend legde ik mijn andere hand er omheen.

'Kijk, zie je nou,' zei het kleine vogeltje. 'Iedereen gaat een keer dood. Maar uit het as van het vorige leven ontstaat het nieuwe leven. Ik zal keer op keer leven, net als jij. Oh Mirte, jij hebt zo vaak geleefd, het is een wonder dat ze je geen 'tijdgodin' noemen!'

Ik durfde het aan om even te glimlachen. 'Maar wie moet er nou voor jou zorgen tot je wat groter bent, klein vogeltje?' vroeg ik, en het vogeltje keek me als antwoord lief aan. Ik knikte en liet hem in mijn warme zak glijden.

5