Onze stemmen weerklonken galmend door de immense kathedraal, en galmde zoals altijd enkele seconden na. Ik moest het werkelijk uit mijn keel persen en het klonk alles behalve mooi. De stekende pijn in mijn luchtpijp leek zich alleen te vergroten, maar ik kon niet stoppen. Ik zou nooit kunnen stoppen.

Ik wist de betekenis van de Latijnse woorden, hoewel ze leeg en inhoudsloos voor me klonken. In mijn eerste jaren dacht ik nog na over ieder woord dat ik zong, over zijn betekenis, over zijn achtergrond. Maar na twintig jaar zijn alle woorden hetzelfde, en is wat ooit een prachtig gregoriaans lied had moeten zijn, vervormd tot een inhoudsloos automatisme.

Zo zou ik mijn gehele leven in het klooster kunnen beschrijven. Het leek ooit zo mooi en idealistisch, je leven te weiden aan God. Hem te eren, te aanbidden en met niks anders bezig te zijn dan Hem. Iedere zinsregel uit de Bijbel die ik overschreef was bijzonder, iedere zieke die ik genas was voor mij een zege, maar nu is alles inhoudsloos.

Daar stond ik dan, met mijn handen in elkaar geslagen, tussen een groep van honderd monniken die allemaal op een even hard volume de psalm leken te zingen. Een buitenstaander zou mij niet eens hebben kunnen onderscheiden van de overige negenennegentig. Ik had geen karakter, geen uiterlijk. Ik had geen identiteit.

Maar toen verscheen de zon achter de wolken, en zag ik de zonnestralen naar binnen vallen door het glas in lood. Op de lichtbruine grond voor me, op het gangpad tussen de banken die bezet werden door enkele burgers, zag ik de prachtige kleuren van het glas. Op een of andere manier leek het me weg te trekken en te lokken naar het gangpad en dat waar het gangpad naar leidt, de deur naar de buitenwereld.

Terwijl de stemmen van overige negenennegentig monniken de zoveelste inhoudsloze regel door het kathedraal lieten galmen, stokte mijn adem in mijn keel. Geen geluid verliet mijn keel, geen gezang, geen kuch, geen ademteug, niets. Zonder erbij na te denken liet ik het dikke, doorleefde tekstenboek uit mijn handen vallen, en de klap die het maakte tegen de grond was het enige geluid dat van me afkwam.

In mijn ooghoeken zag ik dat de monniken naast me verstomd hun blikken naar mij wierpen, terwijl ze trouw hun regels vervolgden. Maar ik had geen aandacht voor hen. Met een gelijkmatige tred liep ik van het marmeren trapje af, richting het gangpad, richting de deur naar de buitenwereld. Ik leek nauwelijks na te kunnen denken over mijn handelingen, en bleef maar lopen. Het gezang leek het enige wat nog bij me binnenkwam, en plotseling leken de regels voor het eerst in jaren weer inhoud voor me te hebben.

Apud Dominum misericordia et copiosa apud eum redemption.

En voor de laatste keer in mijn leven wendde ik me tot God, de God die ik bijna mijn hele leven lang plechtig aanbeden had.

"Heb genade, Heer. Geef me vrijheid."


Mijn eerste post op FictionPress! Het is een korte one-shot die ik een tijdje geleden heb geschreven en in inspiratievolle bui diep in de nacht. Ik had die dag kunstgeschiedenis geleerd, wat ging over de kunst over het klooster, met name over het Gregoriaans gezang. Daar was ik geïnspireerd door. Het is kort, maar ik ben er erg tevreden mee. Ik hoop dat het in de smaak valt!

LeviAntonius